Banner

Sponsors

Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Verdere keuzemogelijkheden PDF Print E-mail

Als een bioscoop kiest voor digitale cinema, moeten er veel keuzes worden gemaakt. Niet alleen voor projector en server, maar zoals we in eerdere artikelen in deze serie zagen ook voor een 3D-systeem, een eventuele TMS en bepaalde keuzes m.b.t. de inrichting van de projectiecabine. Sommige keuzes hangen met andere samen. Als men bijvoorbeeld voor een bepaald 3D-syteem kiest, kan dit de keus van de projector, de xenonlamp, of het projectiescherm veranderen.

In dit laatste deel van deze 'Praktijkgids tot digitaliseren' focussen we op bepaalde onderbelichte keuzes:

  • de consequenties van het behouden van de 35mm-projector
  • de verschillende xenonlampen
  • projectieschermen: wit, gain en silver screen
  • de keuze van het juiste objectief

35mm-projectie behouden naast de digitale projector

Op dit moment is zijn al zeer veel films als DCP (digital cinema package) verkrijgbaar. In de komende tijd zal de beschikbaarheid zeer waarschijnlijk richting de 100% gaan. De rol van de 35mm-projector is hiermee zo goed als uitgespeeld. Voor het zover is, bestaat er in veel theaters nog de uitdrukkelijke wens om 35mm-projectie in één of meerdere (soms zelfs alle) zalen te behouden. Dit is een keuze die door het theater zelf gemaakt moet worden, maar waar wel goed naar gekeken moet worden is of de cabine geschikt is voor het plaatsen van een digitale projector naast de 35mm-projector en of de situatie dan nog steeds 'werkbaar' is.

Zo zijn de afmetingen van het cabinevenster belangrijk. Bij een enkel venster moet dit toch minimaal 1.40 meter breed zijn willen de 2 projectoren naast elkaar passen. Digitale projectoren met het objectief rechts passen het best aan de linkerkant van de 35mm-projector, digitale projectoren met het objectief aan de linkerzijde komen vaak rechts van de 35mm beter uit. Bij het plaatsen aan de rechterzijde moet natuurlijk wel worden opgelet of er voldoende ruimte overblijft om de film te kunnen inleggen. Plaatsing aan de linkerzijde betekent vaak dat de servicepunten van de 35mm-projector slecht(er) bereikbaar zijn. Let erop dat de digitale projector voldoende ruimte vrijlaat voor de filmloop van de 35mm-projector naar de non-rewind of spoelentoren!

Wanneer een cabinevenster niet al te breed is, dient vooral nauwkeurig gekeken te worden of alles past wanneer de keuze voor het 3D systeem valt op RealD (XL) of MasterImage. Bij RealD moet vooraf berekend worden of het beeld wel door het venster past, bij MasterImage moet men rekening houden met de plaatsing van de unit vóór de digitale projector, wat de filmloop van de 35mm ernstig kan belemmeren.

In de praktijk kan er slechts 1 projector optimaal in het midden staan. Het lijkt logisch om hiervoer de projector te kiezen die het meerendeel van de vertoningen zal verzorgen. Een digitale projector heeft wat meer mogelijkheden om het 'uit het midden' staan te corrigeren, maar in de praktijk vallen de problemen met het 'een stukje opschuiven' van een 35mm-projector ook wel mee.

Let erop dat de luchtafvoer van de 35mm en de digitale projector niet 'zomaar' verbonden worden, maar op een manier zodat de lucht van de ene projector niet in de andere geblazen wordt. Op die manier komt de warme lucht namelijk ongewenst weer in de cabine terecht. Vaak bieden Y-verbindingen hiervoor een betere oplossing dan een T-stuk. Vraag hierover advies aan uw installateur!

Doordat de digitale projector/server over eigen automatiseringsmogelijkheden beschikt, is een koppeling met de 35mm-automatisering niet noodzakelijk. In sommige gevallen kan daar echter wel voor gekozen worden, b.v. als de 35mm-automaat zich hier bijzonder goed voor leent (Pennywise, Cinequest, Cinemat of Kinoton EMK). Zelfs als de 35mm-projector in de toekomst helemaal zal verdwijnen kan de automatisering bruikbaar blijven. Of er een koppeling bestaat of niet, er moet sowieso wel goed worden opgelet dat de automatisering van de 35mm de digitale vertoning niet beïnvloed of andersom. Hierbij moet gedacht worden aan ongewenste omschakeling van het audioformaat, storingmelding etc.

Wanneer de ruimte voor 2 projectoren eigenlijk te krap is of men wil gewoon overal goed bij kunnen, is het ook mogelijk om de digitale projector op een railssysteem te plaatsen. Hiermee is het mogelijk om de projector zeer stabiel over een afstand van b.v. 1.5 meter naar links, rechts, voren of achteren te verplaatsen. Wanneer de projector op de juiste plaats staat, kan hij vergrendeld worden. Niet alleen ontstaat er zo ruimte om overal bij te kunnen, de projector kan zo ook zeer dicht op de 35mm geschoven worden en zo bijna in de optimale positie gebracht worden t.o.v. het scherm, zonder dat de 35mm hier op moet inleveren. Voorwaarden voor een probleemloos gebruik van dit systeem is dat dat bekabeling zo wordt afgewerkt dat deze bestand is tegen het schuiven. Ook de afzuiging moet als een flexibele pijp worden uitgevoerd. Uiteraard brengt zo'n oplossing extra kosten met zich mee.

Wanneer de 35mm-projector niet in de weg staat, is er niet direct een reden om er afscheid van te nemen. Het kan altijd interessant zijn om in de toekomst nog eens 35mm-films te vertonen. Ook is men vaak aan de projector gehecht en is afscheid nemen niet gemakkelijk. Belangrijk is echter wel dat het behoud van de 35mm de kwaliteit van de digitale projectie niet beïnvloedt en dat er geen onnodige kosten gemaakt moeten worden. Er zijn natuurlijk ook alternatieven mogelijk, zoals het verwijderen van een non-rewind maar de mogelijkheid behouden om van spoel te draaien. Dit is natuurlijk meer werk (verplichte onderbreking, spoel wisselen), maar kan de doorslag geven om de 35mm toch te behouden.

Wanneer een aanpassing van audio noodzakelijk is, bedenk dan goed welke audioprocessoren nog geschikt zijn voor 35mm-weergave en welke niet! Tenslotte heeft het behoud van 35mm -projectie alleen maar zin als er ook iemand aanwezig is die de apparatuur kan bedienen.

Xenonlampen

Een digitale projector gebruikt, net als een 35mm-projector, een xenonlamp als lichtbron. Ook op dit gebied hebben de ontwikkelingen niet stilgestaan: er zijn de laatste jaren belangrijke verbeteringen doorgevoerd teneinde de maximale lichtopbrengst te vergroten. Er wordt vaak gezegd dat de kosten van xenonlampen voor digitale projectoren veel hoger liggen dan die van 35mm-projectoren. Dit is deels waar, maar meestal heeft dit te maken met 3D.

De meeste digitale projectoren gebruiken een xenonlamp die alleen geschikt is voor dat specifieke projectormerk, en soms zelfs alleen voor dat enkele type projector. De fabrikant van de projector heeft de xenon dan zo laten ontwerpen dat deze volledig geoptimaliseerd is voor de optische componenten (spiegel etc.) in deze projector. Soms gaan deze aanpassingen nog verder en dan zijn bijvoorbeeld thermisch gevoelige plekken op de xenon ook nog speciaal aangepakt. Tenslotte is de manier van montage van de xenonlamp en de gebruikte aansluitkabel bij vrijwel elke projector anders.

Wanneer we kijken naar 2D-projectie, dan zien we dat de huidige generatie projectoren bijzonder lichtsterk is en dat de benodigde wattages redelijk beperkt kunnen blijven. Wanneer de xenon de lichtopbrengst van de projector optimaliseert, betekent dit voor zowel 2D- als 3D-projectie dat het type projector dat nodig is qua wattage enigszins beperkt kan blijven. Zeker bij de 'kleinere' xenonlampen zien we dat door toepassing van zeer nauwkeurige gelijkrichters (met weinig rimpel) en ontsteekautomaten, de lampen zeer lang mee kunnen gaan. Zo zijn er b.v. bepaalde typen 2 kW lampen die 2400 tot 3000 uur mee kunnen gaan en 1200 watt xenons die meer dan 3000 uur meegaan. In deze gevallen is de meerprijs voor deze 'digitale xenonlampen' te verklaren en ook terug te verdienen door een gunstig aantal bedrijfsuren.

3D-projectie vraagt enorm veel licht. Hierin is het niet alleen het gebruikte 3D-systeem, maar ook het soort scherm dat uiteindelijk de keuze voor de benodigde lichtsterkte bepaalt. Zoals eerder aangegeven is Dolby het minst lichtsterke systeem (ongeveer 12% efficiënt) en RealD XL het gunstigste (28%). Een mat wit scherm - oftewel een traditioneel bioscoopscherm - heeft de minst gunstige reflectie, een silver screen de gunstigste. Wanneer er in een zaal dan ook 3D vertoond gaat worden, is het zaak om te kijken met welk systeem dat zal zijn en op wat voor een scherm. Hiermee rekening houdend, zal dan het type projector bepaald moeten worden en de te gebruiken lamp. Het is verstandig om hiermee dan niet op de ondergrens te gaan zitten, of alleen te rekenen met de lichtopbrengst van een nieuwe xenonlamp. Wanneer dat wordt gedaan komt men vaak bedrogen uit.

Xenonlampen slijten tijdens hun levensduur en zeker de nieuwste generatie xenonlampen die extra veel licht produceren, kennen een relatief snelle terugloop van de lichtopbrengst. Het is dan ook niet voor niks dat sommige fabrikanten aangeven dat de terugloop in lichtopbrengst tussen een nieuwe xenon en een xenon op 100% van zijn garantie-uren wel 50% kan zijn (!!). Niet alleen deze terugloop, maar ook de optische verliezen (lens, cabinevenster) en b.v. de kleurcorrectie dragen bij aan een verminderde lichtopbrengst. Bij de keuze van een projector en een xenonlamp dient men rekening te houden met al deze factoren.

Doordat veel 3D-systemen zeer veel lichtvermogen nodig hebben en daarnaast ook gebruikmaken van b.v. een silver screen, komt er nog een ander probleem om de hoek kijken, namelijk dat van 'teveel licht'. Een xenonlamp heeft een bepaald regelbereik waarbinnen de lamp goed kan werken. Vaak wordt er een stroomsterkte aangegeven waarop de lamp optimaal functioneert, de zogenaamde 'Rated current'. Sommige projectoren kunnen hier overheen (tot wel 110% vermogen), wat natuurlijk weer nadelig is voor de levensduur van de lamp. Als ondergrens kunnen de meeste projectoren worden teruggedraaid tot 70% of zelfs 50% van het maximale vermogen. Het is echter aan te raden om niet verder terug te gaan dan 70% van het vermogen, om startproblemen of stabiliteitsproblemen van de lamp te voorkomen.

Alle projectoren kunnen ook per beeldformaat de gewenste stroomsterkte van de lamp instellen. Het is dus eenvoudig mogelijk om de xenon bij een 3D-formaat naar b.v. 100% te sturen en bij een 2D-formaat naar 72%. Houd er echter wel rekening mee dat TI-projectoren met een zoomobjectief ook een behoorlijk lichtverschil hebben tussen Flat (Wide screen) en Scope. Doordat bij Flat het beeld kleiner is dan bij scope en de hele chip voor projectie wordt gebruikt, is er bij Flast 25% meer licht beschikbaar dan bij Scope. In de praktijk zal dus Scope 3D het donkerste beeld geven en Flat 2D het helderste zijn.

Doordat het regelbereik van de lamp maar beperkt is, kan het heel goed voorkomen dat bij 2D-projectie (dus zonder filters en 3D-bril, maar b.v. wel op een silver screen of een high gain-scherm) het beeld veel helderder is dan DCI voorschrijft. Lichtwaarden hoger dan 30ft/L komen voor (14 ft/L is de norm). In de praktijk is dit extra licht meestal geen probleem, maar wanneer het te extreem wordt is het verstandig om toch voor een kleinere xenon te kiezen.

Een andere manier om het 'teveel' aan licht bij 2D tegen te gaan (of het tekort bij 3D) is het werken met verschillende xenonlampen voor 2D en 3D. Het is echter in de praktijk ondoenlijk om tussen elke 2D- en 3D-show de xenon om te wisselen. Fabrikant Barco heeft hier een oplossing voor, in de vorm van een verwisselbaar lampenhuis. Hierin bevinden zich de xenonlamp, de spiegel en wat electronica met daarin de gegevens van de lamp, branduren, stroomsterkte etc. Met een tweede lampenhuis, met daarin b.v. een sterkere lamp gemonteerd, is het mogelijk om binnen een minuut het lampenhuis om te ruilen. Let wel op dat de lamp die gewisseld wordt wel enige tijd nodig heeft om af te koelen.

Ondanks dat dit een robuust systeem is met goede connectoren, is het nooit ontworpen voor meerdere wisselingen per dag. In de praktijk zou het moeten volstaan dat wanneer de zaal b.v. 2 weken een 2D-film gaat vertonen, er makkelijk een kleinere xenon ingezet kan worden. Wanneer er afwisselend op een dag 2D en 3D wordt gedraaid, blijft de 3D-lamp erin zitten. Nadeel van het systeem met twee lampenhuizen is de hoge aanschafprijs van een extra lampenhuis (meer dan 4000 euro), waardoor het enige tijd zal duren voordat er daadwerkelijk geld bespaard gaat worden.

Projectieschermen

Eerder is al aangegeven dat er verschillende soorten projectieschermen bestaan. Er zijn natuurlijk geperforeerde en ongeperforeerde schermen, maar er zijn ook verschillen mogelijk in de manier waarop een scherm het licht reflecteert. Deze reflectie wordt aangeduid als de 'gain' van het scherm.

Hoewel het licht van een digitale projector zeer gelijkmatig is en deze gelijkmatigheid zelfs in de DCI-aanbeveling is vastgelegd, blijft er door de gebruikte optische systemen in de projector altijd een lichtverschil bestaan tussen het midden en de rand van het beeld.

Wanneer een scherm mat wit is en verder geen speciale coating heeft, wordt dit aangeduid als gain 1.0: het licht dat op het scherm valt wordt in alle richtingen gelijkmatig gereflecteerd. Het voordeel van deze schermen is dat de lichtreflectie voor de bezoeker ook als gelijkmatig wordt ervaren. Het verschil tussen het midden en de rand van het beeld valt nauwelijks op. Naast een mooi egaal verlicht beeld, is door het ontbreken van speciale coating ook de prijs van deze schermen gunstig. Een nadeel van deze schermen is echter dat door de gelijkmatige (difuse) reflectie, er ook een hoop licht wordt gereflecteerd naar plekken waar geen bezoekers zitten.

Gain

Wanneer een scherm wordt voorzien van een bepaalde coating, kan hiermee het licht meer gericht worden gereflecteerd. Het scherm versterkt het licht niet, maar doordat het licht meer gericht naar de bezoeker wordt gereflecteerd, wordt het beeld als helderder ervaren. Hoe meer gericht deze reflectie is, hoe hoger de gain-waarde. Er bestaan witte schermen met een gain van 1.2, 1.4, 1.8 en 2.0. Hoe hoger de gain, hoe 'beter' de reflectie naar het publiek toe.

Groot voordeel hiervan is dat een gain-scherm dus flink kan bijdragen in de lichtbeleving van de bezoeker. Een ander voordeel is dat de gewenste lichtwaarde met minder lampvermogen kan worden bereikt, waardoor er gebruik gemaakt kan worden van een kleinere xenonlamp, of zelfs een kleinere projector. Dat dit gunstig is m.b.t. aanschafprijs, energiekosten, afzuiging en temperatuurbeheersing mag duidelijk zijn.

Het lijkt erop dat gain-schermen louter voordelen hebben, maar er zijn natuurlijk ook nadelen. De prijs van een gain-scherm is per m2 aanzienlijk hoger dan dat van een traditioneel projectiescherm. Het scherm is kwetsbaar en alleen op rol te vervoeren, waardoor transportkosten vaak hoger zijn. Hoe gerichter de reflectie naar de bezoeker, des te duidelijker is het scherm recht voor de bezoeker meer verlicht (reflectie is optimaal). Wat meer naar links en rechts wordt het beeld wat donkerder. De vorming van zo'n 'hotspot' kan gezien worden als het grootste nadeel van een gain-scherm. Het effect kan ook min of meer vergeleken worden met de kijkhoek van een LCD-scherm. Wanneer de bezoeker uiterst links of rechts in een rij zit, zal het beeld aan de tegenoverliggende schermkant van de zaal als veel donkerder worden ervaren.

Silver screen

Met de komst van digitale 3D-films is het silver screen een begrip geworden. Het is echter niet nieuw. Veel operateurs kennen het nog van de revival van 3D begin jaren 80 (Jaws 3D etc.) en bewaren minder goede herinneringen aan de kwaliteit van de projectie op dit soort schermen (en vaak bleef zo'n scherm nog jaren hangen).

Met een gain van 2.4 heeft een silver screen een zeer gerichte reflectie. Bovenstaande paragraaf is dan ook tevens volledig op silver screens van toepassing. Hier komt echter nog bij dat de kwetsbaarheid van een silver screen nog veel groter is. Elke vingerafdruk laat z'n sporen na en blijft zichtbaar. Het is dus zaak om ervoor te zorgen dat het publiek niet al te makkelijk dichtbij het scherm kan komen. Daarnaast is de prijs van een silver screen nog hoger dan dat van een wit gain-scherm.

Wanneer er zoveel nadelen zijn, waarom zijn er dan toch zoveel silver screens? Dat is eenvoudigweg omdat alle 3D-systemen die werken volgens het principe van polarisatie een silver screen nodig hebben. Dit is niet alleen voor de lichtopbrengst, maar ook om ervoor te zorgen dat de polarisatie van het beeld de bezoeker op de juiste manier bereikt. Wanneer er geen silver screen hangt, werken systemen als RealD, Masterimage, Imax of dual projectie eenvoudig niet!

Ondertussen hebben toonaangevende firma's als RealD en Harkness veel tijd en geld gestoken in de doorontwikkeling van dit soort schermen. De ontwikkeling heeft er toe bijgedragen dat 'normale' projectie op een silver screen acceptabel is. Hetzelfde geldt voor schermen met een hogere gain.

Schermkeuze

Zoals eerder aangegeven speelt het scherm een zeer belangrijke rol bij de keuze van een projector. Het soort scherm moet in deze keuze dus ook worden meegenomen! Het is dan ook sterk aan te raden om vooraf goed te kijken wat voor een scherm er nu hangt, hoe oud dit scherm is en of men wel of geen 3D-voorstellingen wil. Als vuistregel kan worden aangehouden dat de levensduur van een scherm 7 tot 10 jaar is. Zelfs in gunstige omstandigheden zal een scherm stoffig worden en is het na bovengenoemde levensduur aan vervanging toe. Wanneer het schermoppervlak zo klein is dat voor 2D de kleinste projector met de kleinste lamp al volstaat, is de keuze voor een mat wit scherm snel gemaakt. Wanneer er echter sprake is van een groter scherm, moet worden gekeken wanneer de besparing in energie, lampkosten, en evt. een kleinere projector de hogere aanschafprijs van het scherm weer compenseren. In de meeste gevallen zal dit heel snel zijn!

Wanneer in een zaal 3D vertoond zal gaan worden met een XpanD- of Dolby-systeem, is het eigenlijk altijd verstandig om de aanschaf van een gain-scherm te overwegen. De bovengenoemde besparingen betalen zich namelijk zeer snel terug. Vaak is het niet eens een keuze en zal een gain-scherm de enige mogelijkheid zijn om een dergelijk 3D-systeem te kunnen gebruiken (zonder b.v. te moeten terugvallen op 6 kW lichtvermogen op een scherm van 10 meter – een overdreven zware lamp voor een relatief klein doek).

Het is moeilijk aan te geven voor wat voor scherm er gekozen moet worden. Belangrijk om te weten is dat de integrator de eis kan stellen dat de door de DCI voorgeschreven minimale lichtsterktes gehaald moeten worden. Als dit het geval is, kan het dus zo zijn dat dit bereikt kan worden door een nieuw scherm, of misschien door een zwaardere projector (met een behoorlijke meerprijs). Een gain-scherm van 1.2 of 1.4 is eigenlijk altijd een goede keuze. 1.8 en 2.0 kunnen gunstig zijn wanneer de keuze gemaakt wordt voor b.v. Dolby 3D.

Er zijn ook combinaties die beter vermeden kunnen worden. Te denken valt aan een silver screen voor alleen 2D-projectie of een silver screen met 3D-systemen als XpanD en Dolby 3D (het werkt wel, maar is niet mooi). Met het idee van gerichte reflectie in gedachte, is te begrijpen dat extreem brede zalen (korte brede zaal met groot scherm) niet de meest optimale zalen zijn voor 3D-systemen met een silver screen. Voor kleine zalen waar de bezoeker dicht op het scherm zit, kan juist gedacht worden aan een scherm met een kleinere perforatie (mini perf).

In de opgegeven specificaties van de meeste projectoren, en wanneer projectorfabrikanten de benodigde projector voor een zaal berekenen, gaat men vrijwel altijd uit van een scherm met een gain van 1.8. Hierdoor ontstaat natuurlijk een zeer gunstig beeld over de lichtsterkte van de projectoren. Veel fabrikanten hebben een lenscalculator online staan, waarbij ook de gegevens van het scherm en het gebruikte 3D-systeem kunnen worden ingevoerd. Zorg er hierbij voor dat calculaties altijd met reële instellingen worden uitgevoerd! Uitgaan van geen optische verliezen, een gain van 1.8 en een nieuwe xenonlamp, ligt het voor de hand dat een te kleine projector wordt gekozen. Zorg er altijd voor dat in een berekening 25% slijtage van de xenonlamp, 10% optisch verlies en de juiste gain wordt meegenomen. Alleen op deze manier is een realistische keuze van een projector te maken.

Keuze van het juiste objectief

De keuze van het objectief wordt meestal overgelaten aan specialisten: de installateur, integrator of projectorfabrikant. Toch willen we hier kort laten zien hoe zo'n keuze tot stand komt. Het lijkt vrij simpel: het juiste objectief is dat objectief waarbij het scherm gevuld is en het beeld in de juiste verhoudingen wordt weergegeven. Soms zijn er echter beperkingen in wat kan en wat niet kan.

Hoe wordt een objectief bepaald?

Anders dan bij 35mm-projectoren, wordt de 'maat' van het objectief niet meer in mm (brandpunt) uitgedrukt, maar als een zogenaamde zoomfactor. Deze factor is de verhouding tussen de projectieafstand en de gewenste beeldbreedte. Om de juiste zoomfactor van het objectief te bepalen, wordt de projectieafstand gedeeld door de gewenste beeldbreedte. Een projectieafstand van 20 meter op een doek van 10 meter breed, vraagt dus een zoomfactor van 2.0.

Let op dat de beeldverhoudingen bij D-cinema 1 : 1.85 voor Widescreen (flat) en 1 : 2.39 voor Cinemascope zijn. Veel doeken hebben voor b.v. Scope nog de verhouding van 1 : 2.35 of zelfs nog vierkanter; 2.28 is geen uitzondering! Hetzelfde geldt voor Widescreen, waar nog vaak verhoudingen van 1.75 of zelfs 1.66 gebruikt zijn. Wanneer deze projectieschermen niet worden aangepast, dan wordt bij het berekenen van het juiste objectief de hoogtemaat van het scherm gebruikt, om daarmee de breedte te bepalen. Wanneer bij een teveel afwijkende verhouding alleen van de breedte wordt uitgegaan, kan het gebeuren dat het beeld boven en onder niet volledig uitgevuld wordt.

Alle in digitale cinema gebruikte objectieven zijn zogenaamde zoom-objectieven. De zoomfactor van het objectief is dus variabel in te stellen. Het bereik van de meeste objectieven is zeer groot, waardoor het juiste objectief eenvoudig te kiezen is. Om te wisselen tussen Scope en Flat wordt het objectief d.m.v. servomotoren ingesteld. Niet alleen de Zoom en Focus worden bediend, maar ook de horizontale en verticale shift.

Het te gebruiken objectief hangt ook af van de afmeting van de chip in de projector. Er zijn objectieven voor de 0.98" DMD, voor de 1.2" DMD en voor de 1.38" 4K DMD. In principe zijn de objectieven voor 1.2" en 1.38" gelijk, maar door het afwijkende formaat van de DMD is de zoomfactor anders. Sony heeft zijn eigen range van objectieven, maar het berekenen gebeurt op dezelfde manier. Het speciale 3D-objectief van Sony is er slechts in 2 uitvoeringen. Dit objectief wordt eenmalig vast ingesteld.

Berekening uit de praktijk

Een bioscoop heeft een scherm van 10.45m breed en 4.46m hoog (verhouding 2.34). De projectieafstand is 18.92m. Eerst bepalen we de waarde voor Cinemascope. Wanneer we 4.46m in de hoogte willen uitvullen, hoort hier in 2.39 verhouding een beeldbreedte van 10.66m bij (4.46m x 2.39 = 10.66m).

In de praktijk is het verstandig om een correctie van -2% op de berekende waarde aan te houden. De zoomfactor komt hierdoor lager uit, oftewel het beeld wordt iets groter. Hiermee wordt enige veiligheid ingebouwd. Dit is vooral nodig wanneer de berekende waarde op de grens van een objectief uitkomt, of wanneer er speciale omstandigheden zijn, zoals een forse neiging van de projector (projectiehoek naar beneden).

18.92 (projectieafstand) / 10.66 (breedte bij 2.39 verhouding) = 1.77 (zoomfactor ) - 2% (veiligheidscorrectie) = 1.73 is de zoomfactor voor Cinemascope.

Nu de gelijke berekening voor Widescreen. 4.46m x 1.85 = 8.25m

18.92 (projectieafstand) / 8.25m (breedte bij 1.85 verhouding) = 2.29 (zoomfactor ) - 2% (veiligheidscorrectie) = 2.24 is de zoomfactor voor Widescreen.

Het te kiezen objectief moet dus zowel 1.73 als 2.24 omvatten. Voor een 1.2" DMD projector (b.v. Barco DP2K-19B) zou hier een 1.6-2.35 objectief gekozen kunnen worden.

Bij de keuze van een objectief is het belangrijk dat beide berekende waarden te halen zijn. Hierbij is echter de kleinste waarde het belangrijkste! Het is immers altijd mogelijk om het beeld (elektronisch) iets kleiner te maken (hoewel officieel niet toegestaan), maar onmogelijk om het groter te maken. Grofweg zijn er objectieven verkrijgbaar tussen zoomfactor 1.2 en 5.5

Wanneer er sprake is van een scherm in Widescreen verhouding (1.85), valt op dat de beide waarden zeer dicht bij elkaar liggen. Eigenlijk mag gesteld worden dat het objectief voor Scope en Flat dezelfde waarde kan hebben. Wanneer er sprake is van een zeer korte projectieafstand met een zeer groot scherm en de zoomfactor zeer laag uitkomt, kunnen er problemen optreden die een bepaalde beperking met zich meebrengen.

Voor 0.98" DMD-projectoren is er een 1.2-1.8 objectief beschikbaar. Dit maakt b.v. een 8.3 meter breed beeld mogelijk met slechts 10m projectieafstand. Dit is al redelijk extreem te noemen. Voor 1.2" DMD-projectoren is 1.25-1.45 de kleinste zoomfactor. Nadeel van dit objectief is het korte zoombereik, waardoor bijna altijd elektronische correctie noodzakelijk is. Het 'volgende' objectief met een lang bereik is de 1.4-2.05. Hier zal dus in overleg met de installateur een keuze gemaakt moeten worden. Voor 4K-projectoren geeft ditzelfde objectief 1.13 (!!) als kleinste waarde (1.13-1.31). Het volgende objectief is hier de 1.27-1.86.

Bij Sony overlappen de objectieven voor zowel 2D als 3D zeer ruim, waardoor het altijd mogelijk is om het juiste objectief te kiezen. Sony gebruikt zoals eerder vermeld een apart objectief voor 3D projectie!

Let erop dat RealD XL beperkingen kent m.b.t. de minimale zoomfactor. Voor Scope is dit 1.28. Bij een nog kleinere zoomfactor loopt het licht 'vast' in de XL-unit (randafval!).

Vroeger werd i.p.v. een gemotoriseerd zoomobjectief ook wel een Anamorphote of Wide Angle converter toegepast. Hierbij werd het beeld 1.25x vergroot voor projectie van Cinemascope. Met de huidige projectoren en objectieven raakt dit steeds meer in onbruik. In bepaalde extreme gevallen kan dit echter wel de oplossing zijn. Nadeel is het hoge prijskaartje dat aan de objectieven en installatie hangt.

Last Updated on Monday, 18 April 2011 23:39