|
Het lijkt erop dat digitale cinema binnen 2 jaar het stokje van de vertrouwde 35mm-projectie volledig heeft overgenomen. Veel bioscopen hebben in de afgelopen 2 jaar al kennis gemaakt met digitale projectie, maar evenveel theaters nog helemaal niet. Veel exploitanten zitten daarom met vragen. Op zich is er heel veel informatie over dit onderwerp te vinden, maar wat is er op uw situatie van toepassing?
Deze serie artikelen gaat niet over hoe digitale cinema werkt, of over hoe prachtig het allemaal is, maar probeert digitale cinema te benaderen vanuit de praktische kant. Hiermee wil Cineserver een keuzehulp digitale cinema bieden, die ondersteuning geeft bij beslissingen, zodat de juiste keuzes voor de komende 10 jaar gemaakt kunnen worden. Hebt u na het lezen van deze artikelen nog vragen? Stuur deze dan naar
This e-mail address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it
In dit eerste deel wordt gekeken naar de basisinstallatie die de 35mm-projector vervangt, oftewel de projector en server. Dit gebeurt in drie delen:
- inleiding technologie en actuele discussies
- digitale cinema-projectoren
- digitale cinema servers, met extra aandacht voor de mogelijkheid van een pauzepunt
Inleiding
Digitale cinema-projectoren zijn grofweg in 2 soorten in te delen. De eerste groep is gebaseerd op Texas Instruments' DLP Cinema-technologie. Deze in 1987 ontwikkelde techniek heeft aan de bakermat van digitale cinema gestaan en biedt sinds 2004 de mogelijkheid van projectie in 2K (2048 x 1080 pixels) resolutie. Vanaf begin 2010 wordt de 2e generatie van deze 2K-technologie geleverd onder de naam Series-2.
De DLP Cinema-techniek vormt de basis voor alle D-cinema projectoren van Christie, NEC en Barco (inclusief de merken Cinemeccanica en Kinoton die gebruik maken van Barco techniek). Het projectiegedeelte van al deze merken is dus in vele details gelijk. Het is echter niet zo dat componenten onderling uitwisselbaar zijn. Het onderscheid tussen de verschillende merken moet dus gezocht worden in:
- Aansluitmogelijkheden
- Technische features m.b.t. bediening, lampinstelling, monitoring
- Lensbesturing
- Lichtopbrengst
- Afmeting en gewicht
- Vormgeving
- Serviceverlening
- Beschikbaarheid
- Mogelijkheden voor 3D
- Persoonlijke voorkeur
Alle DLP Cinema-projectoren die er op de markt zijn, zullen later in dit hoofdstuk de revue passeren.
Als 2e is er de projector van Sony, gebaseerd op hun eigen SXRD-technologie. Deze projectoren zijn nu 5 jaar op de markt en bieden de mogelijkheid tot projectie in 4K-resolutie (4096 x 2156 pixels). Vanaf eind 2009 is de SRX-R320 projector op de markt, die de meest recente techniek in huis heeft, vergelijkbaar met de series 2 DLP Cinema-projectoren.
Ook Texas Instruments heeft ondertussen ook niet stilgezeten; vanaf begin 2011 zijn er ook 4K DLP Cinema-projectoren leverbaar. Daarnaast hebben de projectorfabrikanten bekendgemaakt dat bepaalde projectoren in de toekomst ook 'ge-update' kunnen worden naar 4K-resolutie.
De projector: 2K vs 4K?
Het ligt voor de hand om de keuze van een projector al snel in het voordeel van 4K-techniek te laten uitpakken, maar is dit ook echt nodig en zinvol? Het antwoord daarop (ontdaan van alle marketing verhalen) is veelal nee. De keuze voor 4K moet een weloverwogen keuze zijn.
Laten we ons eerst even beperken tot 2D-projectie. Om het kwaliteit verschil tussen 2K en 4K te kunnen zien, is er naast een 4K-projector natuurlijk ook een 4K-film nodig. Helaas zijn die op dit moment nog niet veel beschikbaar. Sporadisch worden er films in 4K uitgebracht (Karate Kid, Salt etc.) maar met de toename van 4K-projectoren, zal dit aantal de komende jaren zeker groeien. Wanneer er 2K content aan een 4K-projector wordt aangeboden, zal deze content opgewaardeerd (ge-upscaled) worden naar 4K-resolutie. Uiteraard geeft de fabrikant aan dat dit de kwaliteit t.o.v. 2K sterk verbetert, maar het blijft een computer die de ontbrekende informatie volgens zijn software aanvult; de facto blijft het dus een 2K-beeld.
Wanneer 2K- en 4K-projectie worden vergeleken, zal opvallen dat de details van 4K veel beter zijn. Hoe meer we echter afstand nemen van het beeld, des te minder zal dit verschil merkbaar zijn. Bezoekers achterin de zaal (wat toch meestal de favoriete plaatsen zijn), zullen het verschil veel minder zien dan voorin. Daarnaast kan een bezoeker in een normale situatie niks vergelijken; er wordt tijdens de voorstellingen immers niet gewisseld tussen een 2K- en een 4K-projector. Vergelijk het met digitale fotografie. Om een goede 10x15 afdruk te maken, volstaat laten we zeggen een fotobestand van 4 Megapixel. Willen we deze foto op posterformaat uitprinten, dan is een veel hogere resolutie nodig. Bekijken we een opgeblazen foto echter van een flinke afstand, dan is het resultaat weer okay. Resolutie, schermafmetingen en kijkafstand hangen in deze zeer nauw met elkaar samen.
Daarnaast is het de vraag hoe de aanlevering van digitale content zich in de toekomst zal ontwikkelen. Op dit moment zijn er duidelijke verschillen zichtbaar tussen verschillende films (veroorzaakt door gebruikte codecs en compressietechnieken). De kwaliteit van de uiteindelijke voorstelling hangt hier natuurlijk nauw mee samen.
Vaak bestaat er een ongegronde angst dat de toekomst alleen nog 4K zal brengen. Deze angst is onterecht. Vergelijk de kwaliteit van 2K met die van 35mm; voor de bezoeker is deze gelijk en is veelal die van 2K projectie beter. Ook in de contentaanlevering is er zorg voor gedragen dat een film altijd in 2K en in 4K afspeelbaar is, zonder dat hier een aparte disk voor aangeleverd moet worden. Natuurlijk is het wel een goed streven dat fabrikanten de techniek blijven verbeteren en dat bioscopen ervoor kiezen om de laatste technologie in huis te halen.
3D-projectie en 4K
Wanneer een Sony-projector voor 3D-projectie gebruikt gaat worden, is er geen sprake meer van 4K. De manier waarop deze projectoren omgaan met 3D, maakt het namelijk onmogelijk om de 4K-resolutie te handhaven. Als enige projector maakt Sony gebruik van een dubbel objectief en wordt de beeldchip in tweeën gedeeld om zo 2 aparte beelden te genereren (apart voor het linker- en rechteroog). Ondanks de teruggang in resolutie, geeft deze techniek een fantastische 3D-weergave.
Het is ook mogelijk om op deze manier 2D-films te vertonen, zodat de objectieven niet steeds gewisseld hoeven te worden (zie ook de bespreking van de Sony SRX-R320 projector). Zowel in 3D- als in 2D-projectie is op deze manier de resolutie beperkt tot 1998x1080 voor Widescreen en 2580x1080 voor Cinemascope. Wanneer een projector in de praktijk veel 3D-films zal vertonen, zal dit meegenomen moeten worden in de beslissing.
Over de DLP Cinema 4K-projectoren en 3D valt nog niet veel te zeggen. Het lijkt er op dat alle bestaande 3D-systemen gewoon gebruikt kunnen worden en dat 3D-projectie ook in 4K mogelijk zal zijn. Hier zal het voornamelijk afhangen van de studios en de servers, of het technisch de moeite loont om 3D-content in 4K te gaan uitbrengen. 4K in 2D brengt al een enorm datatransport met zich mee, laat staan 4K 3D.
4K-projectie en de server
De mogelijkheid om 4K te kunnen projecteren vereist meer aanpassingen dan alleen aan de projector. De hoeveelheid data die voor 4K gegenereerd moet worden is 4x zo groot als voor 2K-projectie. Via de 'normale' video-overdracht (2x HDSDI 292 SMPTE) is dit onmogelijk. We zien dan nu ook een ontwikkeling bij de meeste serverfabrikanten, dat men kiest voor een Internal Media Block (IMB). Hierbij wordt het videoboard niet meer in de server geplaatst, maar direct in de projector, met een korter video datatransport tot gevolg. Op deze manier is het niet alleen veel eenvoudiger om een verbinding op te bouwen met een veel grotere bandbreedte, maar is het transport ook veel beter te beveiligen. De hele projector vormt daarbij namelijk een veilige omgeving. De opslag van de content vindt dan echter nog steeds plaats op een (in dit geval uitgeklede) server. Tussen de server en het mediablock ligt een PCI-E verbinding, waarop veel eenvoudiger de secure data naar het IMB getransporteerd kan worden.
Nu de update naar 4K ook bij TI-machines werkelijkheid wordt, mag er vanuit gegaan worden dat de server zoals we die nu kennen zijn langste tijd heeft gehad, en het IMB-principe zowel bij 2K als 4K de toekomst heeft. Na Doremi en GDC heeft recentelijk ook Dolby zijn IBM gepresenteerd. Sony maakt al sinds de introductie van hun projectoren gebruik van een Mediablock. Deze is geheel in de projector ingebouwd en maakt deel uit van het beveiligde gedeelte van de projector. Hoewel hier in eerste instantie wat vreemd tegenaan werd gekeken, lijkt het er nu dus op dat alle fabrikanten in de toekomst deze lijn gaan volgen.
Ontwikkelingen in beeldkwaliteit gaan overigens verder dan alleen het verhogen van de resolutie. Er wordt momenteel ook serieus gekeken naar het verhogen van de beeldfrequentie. Al enige tijd bieden diverse servers (o.a. Doremi) de mogelijkheid om speciaal vervaardigde content in 48 frames per seconde (fps) af te spelen. Verdere ontwikkelingen gaan zelfs naar een snelheid van 60 fps. De aanpassingen aan server en projector zijn minimaal, terwijl de uitwerking op de kwaliteit van de projectie en vooral de rust van het geprojecteerde beeld enorm zijn. Deze ontwikkeling vereist natuurlijk wel hierop aangepaste content, maar door de eenvoudige realisatie zou dit vrij snel realiteit kunnen worden.
De projectoren
Hieronder volgt een opsomming van de projectoren die er op dit moment op de markt zijn. Globaal worden de belangrijkste kenmerken opgenoemd, of er wordt verwezen naar een vergelijkbaar type. In de komende maanden zullen van een aantal projectoren ook 4K-versies op de markt komen. Deze zijn echter nog niet in dit overzicht opgenomen.
Barco
DP2K-12C Projector opgebouwd rondom de 0,98" DMD-serie. Het maximale lampvermogen van de DP2K-12C is 2 kW, de stroomaansluiting is enkelfase 230 volt 16 amp. De C-serie projectoren van Barco hebben allemaal dezelfde afmeting. Het verschil zit hem in de maximale lampvermogens. De projectoren hebben een zeer eenvoudige maar ook enigzins beperkte bediening. Een indicatorlamp op de achterzijde geeft informatie over de status van de projector. Anders dan bij Christie en NEC, kan deze indicator ook aangeven dat er een minder urgente storing is, of dat de projector onderhoud nodig heeft.
Er is een apart touchscreen beschikbaar voor montage op de projector, maar men kan ook kiezen voor een laptop waarop de (gratis) software van Barco draait, die gelijk is aan de touchscreen. Via het netwerk kan men op een laptop alle projectoren benaderen. De projectoren gebruiken 'speciale' xenonlampen, die zich kenmerken door een hoge levensduur. Opvallend is dat Barco slechts1 adapter gebruikt voor het plaatsen van de xenon. Men heeft de lengte van de lamp aangepast aan de projector.
De projector heeft een bijzonder fraaie modulaire opbouw, die het mogelijk maakt om snel componenten te wisselen bij storing. Barco heeft als enige een lampenhuis-module, die het mogelijk maakt om van lampsterkte te wisselen zonder de xenon uit te bouwen (zie ook het hoofdstuk over xenonlampen). Daarnaast hebben de projectoren de mooiste integratie van Dolby 3D, waarbij geen DCF100-controller nodig is, daar deze functionaliteit is geïntegreerd in de software van de projector. Alle Barco-projectoren hebben een zeer eenvoudige manier om de convergentie van de projectoren in te stellen.
DP2K-15C Gelijk aan de 12C maar met een aangepaste gelijkrichter (dubbel), bruikbaar tot 3 kW-lampen. Het interne koelsysteem is aangepast t.o.v. de 12C. Netaansluiting enkelfase 230 volt 20 amp.
DP2K-20C Grootste model uit de C serie met aangepaste gelijkrichter en koeling. Bruikbaar tot 4 kW, netaansluiting enkelfase 230 volt 26 amp.
DP2K-19B De B-serie projectoren is opgebouwd rondom de 1.2" DMD's. Alle machines uit deze serie zijn in een later stadium te upgraden naar 4K. De B-serie heeft een nog hoger rendement dan de C-serie, d.w.z. een nog betere lichtopbrengst. Barco geeft aan dat een 19B-projector ongeveer 500 lumen MEER lichtopbrengst heeft met een 3 kW xenonlamp dan een 20C met een 4 kW xenonlamp. Dit kan uiteraard een zeer belangrijke afweging zijn m.b.t. lampkosten en stroomverbruik wanneer er een keuze gemaakt moet worden. Meerkosten van een 19B spelen op deze manier een ondergeschikte rol.De projectoren zijn wel aanmerkelijk groter dan de C-serie.
De xenonlampen voor de B-serie zijn gelijk aan de C-serie, met uiteraard zwaardere lampen in het grootste model. De integratie van Dolby 3D is gelijk aan de C-serie, evenals de modulaire opbouw. Ook het systeem voor eenvoudige instelling van convergentie is overgenomen. De 19B is bruikbaar tot 3 kW en heeft een enkelfase netvoeding van 230 volt 20 amp nodig. De B-serie projectoren hebben ingebouwde besturing voor de externe afzuiger.
DP2K-23B Gelijkwaardig aan de 19B-projector, maar nu bruikbaar tot maximaal 4 kW. Netvoeding 230 volt enkelfase 27 amp
DP2K-32B Grootste model van Barco. Beschikt over 3 gelijkrichters; maximaal lampvermogen 6 kW. Netvoeding 400 volt 3 fase 16 amp.
Christie
Christie-projectoren zijn zowel intern als extern van een no-nonsense opbouw. Ze onderscheiden zich door een zeer hoge lichtopbrengst en een bijzonder complete bediening via het touchscreen. Normaal gesproken bevindt dit schermpje zich achterop de projector, maar het kan ook zeer eenvoudig op een andere gewenste plek worden bevestigd. Afhankelijk van het type projector zijn er een of meerdere filters aanwezig. Deze dienen volgens een bepaalde interval vervangen te worden. Alle projectoren gebruiken een vloeistof-koelsysteem voor de interne componenten.
Bijzondere feature van de Christie-projectoren is de zogenaamde lamp-loc functie. Na het inzetten van een xenonlamp zal de projector zelf de instellingen van de lamp (X-, Y- en Z-as) gemotoriseerd optimaal calibreren, voor de maximale lichtopbrengst. Alle projectoren hebben 3 statusindicatoren aan de achterzijde, zodat een storing aan de projector in een oogopslag opvalt.
Solaria 2210 De kleinste projector op de markt, met een gewicht van 46 kg en afmetingen van 60x60 cm. Opgebouwd rond de 0,98" DMD-serie, met een maximaal lichtvermogen van 2 kW. Maakt gebruik van aangepaste xenonlampen. De projector vereist enkelfase voeding (230 volt 16 amp), heeft een ingebouwde gelijkrichter en heeft geen externe ventilator nodig. Bediening d.m.v. full colour touchscreen. De 2210 heeft net als alle andere Christie-projectoren automatische instelling van de xenonlamp. De projectorlens is aan de linkerzijde van de projector! Er is een apart aansluitstuk leverbaar om een slang voor externe luchtafvoer aan te sluiten. LET OP! Door de zeer compacte bouw is het NIET mogelijk om deze projector te gebruiken in combinatie met het Dolby 3D-systeem!
Solaria 2220 Projector opgebouwd rond de 1.2" DMD-serie en dus op te waarderen naar 4K. Maximaal lichtvermogen 3 kW. Voor 3D is er nog een speciale High Power 3 kW xenonlamp beschikbaar. Externe ventilator vereist. Projector vereist Enkelfase Voeding (230 volt 23 amp) en heeft ingebouwde gelijkrichter. Bediening d.m.v. full colour touchscreen. Automatische instelling van de xenonlamp. Projector moet geleverd worden met automatische lensbediening. Projectorlens aan de rechterzijde van de projector!
Solaria 2230 Projector opgebouwd rond de 1.2" DMD-serie en dus op te waarderen naar 4K. Maximaal lichtvermogen 6 kW. Externe ventilator vereist. Projector vereist 3 fase voeding (400 volt 3x 16 amp) en heeft een externe gelijkrichter. Bediening d.m.v. full colour touchscreen. Automatische instelling van de xenonlamp. Projector moet geleverd worden met automatische lensbediening. Projectorlens aan de rechterzijde van de projector!
Kinoton
Het Duitse Kinoton biedt digitale projectoren aan die voor het projectiegedeelte gebruik maken van de techniek van Barco. Het betreft hier projectoren met de 1.2" serie DMD's, vergelijkbaar met de 23B en 32B projectoren van Barco. De projectoren zijn te upgraden naar 4K. In tegenstelling tot Barco's projectoren kan gebruik gemaakt worden van 'normale' xenonlampen. Maximaal lichtvermogen wordt echter alleen bereikt met een speciale xenonlamp.
Het lampenhuis is van eigen ontwerp en kan niet zoals bij Barco als een module gewisseld worden. Afzuiging is in het lampenhuis geïntegreerd. De projector vereist 400 volt 3 fase 16 amp. De projector weet zich te onderscheiden door een zeer degelijke opbouw (veel gebruik van metaal, aangepast koelsysteem etc.).
NEC
NEC NC1200C Projector opgebouwd rond de 0,98" DMD-serie. Maximaal lampvermogen 2 kW, ingebouwde gelijkrichter, enkelfase voeding (230 volt, 16amp). Eenvoudige bediening d.m.v. druktoetsen en LCD-display. Vrij forse afmetingen voor dit lampvermogen. Projector kan overweg met standaard (35mm) xenonlampen b.v. Ushio UXL-20SC (H). Maximale lichtopbrengst wordt echter pas bereikt met aangepaste xenonlamp (b.v. Ushio DXL-20SN3). Externe afzuiging nodig. De projector heeft 4 x HDSDI-input.
NEC NC2000C Deze projector is vrijwel gelijk aan bovenstaande NC1200. Lampvermogen is echter maximaal 4 kW. Tot 3 kW zijn ook standaard xenonlampen bruikbaar. Enkelfase voeding (230 volt 30 amp).
NEC NC3200S Projector opgebouwd rondom 1.2" DMD-serie en dus op te waarderen naar 4K. Maximaal lampvermogen 7 kW (!). Voor alle lampvermogens zijn ook standaard xenonlampen inzetbaar (voor de grotere vermogens dus b.v. Ushio UXL-60SC(H) of zelfs de UXL-70SC(H). Maximale lichtopbrengst met special xenonlampen. Externe afzuiging nodig, 3 fase voeding (400 volt, 3x 16 amp) via externe gelijkrichter.
Als enige biedt NEC standaard 4x HDSDI-input, wat handig kan zijn als er naast projectie vanaf de server veel gebruikt gemaakt wordt van b.v. HDCAM of 3D satelliet-toepassingen. Er hoeven dan geen kabels omgestoken te worden. Doordat de NC3200S op dit moment de enige projector uit de serie is met 1.2" DMD-chips, zal deze ook voorlopig als enige NEC-projector op te waarderen zijn naar 4K.
Alle projectoren gebruiken vloeistofkoeling voor de interne componenten (onderhoudsvrij systeem) en maken gebruik van meerdere luchtfilters die volgens een bepaalde interval vervangen dienen te worden. Standaard xenonlampen (d.w.z. types die ook in 35mm-projectoren gebruikt worden) zijn eenvoudig toepasbaar (maximale lichtopbrengst wordt hier echter niet mee bereikt). Dit kan een interessant alternatief zijn als hiermee de lichtopbrengst toereikend is. De projectoren hebben indicatoren aan de achterzijde waarmee de status van de projector in een oogopslag bepaald kan worden.
Sony
Cinealta 4K SRX-R320 De Sony-projector onderscheidt zich niet alleen van de andere merken door de resolutie van 4K; ook de opbouw van de machine en de combinatie met de server is geheel anders. De projector is opgebouwd rond Sony's eigen SXRD-chips. Anders dan de bewegende spiegeltjes van een DLP Cinema-chip, wordt hier gebruik gemaakt van LCD-techniek. Het projectiegedeelte van de projector bestaat uit de SRX-head, het lampenhuis en de gelijkrichter.
Onlosmakelijk hiermee verbonden is de ingebouwde server, de LMT300, door Sony het Mediablock genoemd. Alle componenten van de Sony-projector zijn ondergebracht in een behuizing: de 'cavity'. In tegenstelling tot een DLP Cinema-machine, waar de datastroom tussen de projector en server beveiligd is, is hier het gehele inwendige van de projector beveiligd. Openen van de projector verbreekt deze beveiliging (en de mogelijkheid om beveiligde content af te spelen). De projector beschikt over slechts 1 externe video-ingang (DVI-D). Dit aantal is wel uit te breiden (er zijn DVI-D en HDSDI interface boards beschikbaar).
Bediening van de projector gebeurt d.m.v. een touchscreen op de projector. Hiermee kan niet alleen het projectiegedeelte, maar ook de meeste functies van de server bediend worden. Voor waarschuwingen en foutmeldingen bevindt zich achterop de projector nog een eenvoudige LCD-display. Bovenop de projector zit een 'stoplicht', dat door middel van verschillende kleuren en knipperfrequenties de status van de projector kan weergeven.
De projector heeft voor 4K-vertoning een gemotoriseerde zoomlens. Lensshift is echter niet geautomatiseerd. Dit kan problemen opleveren wanneer de projector niet in het middel staat t.o.v. het scherm en er gebruik gemaakt moet worden van kaders.
Voor 3D-vertoningen is er een apart objectief nodig. Dit objectief is afkomstig van RealD, aangezien dit op dit moment het enige 3D-systeem is dat door Sony gebruikt wordt. Wanneer dit objectief gebruikt wordt is de resolutie geen 4K meer, maar 1998x1080 voor flat en 2580x1080 voor scope. Het omwisselen van het objectief is door de operateur te doen, maar is geen klusje dat eenvoudig tussen de voorstellingen gedaan kan worden. De hele constructie (M10 bouten, dunne multikabels) leent zich hier eenvoudigweg niet voor. Het is mogelijk om 2D via het 3D-objectief te vertonen in zeer hoge kwaliteit (maar geen 4K), zodat het wisselen van objectief alleen hoeft te gebeuren bij een langere periode van alleen 2D-voorstellingen met 4K-content.
De server heeft een opslagcapaciteit van 2 TB en beschikt over een raid array van 7(!) disks, waaronder een 'hot spare' (disk die een defecte disk in bedrijf automatisch kan overnemen). De server beschikt over diverse insteekkaarten met 16 uitgangen en 8 ingangen.
Ingest is mogelijk via het netwerk of via USB 2.0. De gebruikersinterface (Sony noemt dit de
SMS oftewel Screen Management System) kan worden bekeken op de touchscreen van de projector of (meer uitgebreid) op een externe PC of laptop met de (gratis) Sony software.
De automatisering kent geen mogelijkheid tot het gebruik van macro's, wat start en pauze enigszins gecompliceerd maakt. Wel kan de server gebruik maken van een show in een show, zodat er van de start, pauze en einde van een show aparte sub-shows gemaakt kunnen worden, die eenvoudig in een show geplaatst kunnen worden (als ware het macro's).
Pauze verdient een aparte vermelding, aangezien dit pas sinds kort mogelijk is. De Sony kan als enige content onderbreken en tijdens die onderbreking andere content vertonen. Hiermee kan tijdens de pauze b.v. een pauzeshow of trailers vertoond worden. Geen enkele andere server heeft deze optie. Een show op afstand starten kan wel, maar externe startcommando's moeten gekoppeld worden aan een bepaalde show (drukken van de startknop start dus niet eenvoudig de gereedstaande show). Dit maakt een externe start of automatisering vrij omslachtig.
De Sony-projector wordt geleverd met een 1500VA UPS-unit en vereist naast een normale netvoeding voor de UPS (230 volt 16 amp stopcontact) een enkelfase 230 volt 25 amp voeding voor de gelijkrichter. De Sony kan lampvermogens tot 4.2 kW aan. Voor kleinere zalen zijn echter ook xenonlampen van 2 en 3 kW beschikbaar. Met een 4.2 kW xenonlamp kan de Sony projector 3D-projectie tot maximaal 15 meter breed aan.
Servers
Naast de opslag van de films, is de server ook verantwoordelijk voor de automatisering en de bediening van de hele zaal. De interface van de server en het gebruiksgemak hiervan bepaalt voor het grootste deel het gebruiksgemak van de hele installatie.
Dolby DSS200
De DSS200 is de nieuwste generatie Dolby-server. Deze op Linux gebaseerde server beschikt over 2.8 TB opslag capaciteit (Raid 5). De server is voor de gebruiker beperkt tot de mogelijkheden van de interface.
De kracht van de Dolby-server zit hem in te integratie van de verschillende zalen in een complex. Tot 3 zalen vormen de servers onderling een
TMS-systeem, waarbij op elke server de status van de overige servers zichtbaar is. Ook kunnen shows en content zeer eenvoudig uitgewisseld worden. Wanneer er sprake is van meer dan 3 zalen kan er een DSS100 bijgevoegd worden, die zich dan als TMS/LMS-server zal gedragen. De bediening van de Dolby DSS200 is zeer eenvoudig en het overzicht dat men krijgt is zeer goed te noemen.
De automatisering van de server loopt wat achter bij andere servers zoals de Solo G3 en de Doremi. De Dolby-server kent geen macro's en kan dus geen commando's samenvoegen en in een gecontroleerde vorm afwerken. Vooral bij de start van de voorstelling en in het bijzonder bij een pauze, maakt dit de server minder flexibel en verlopen de functies vaak wat minder soepel. Ook moet bij het programmeren van een show elk commando apart worden ingegeven.
De server beschikt over een ingebouwde automatiseringskaart met 10 uitgangen. Ook zijn er diverse ingangen aanwezig, die elk een vaste functie hebben. Het aansturen en benoemen van de uitgangen gaat door het aanpassen van een XML-script wat omslachtig. De pulsduur van de contacten is vast ingesteld op 500ms. Is er een meer complexe automatisering vereist (meer uitgangen, ingangen, andere pulsduur, combinaties) dan moet een Jnior netwerk automatiseringsinterface worden toegevoegd. Anders dan bij de Doremi-server wordt deze serieel aangestuurd. Recent is er een nieuwe versie van de software aangekondigd, waarin belangrijke verbeteringen t.o.v. de automatisering en aansturing zijn opgenomen. Het gebruik van o.a. macro's wordt hierdoor mogelijk. De exacte releasedatum is nog niet bekend.
De Dolby DSS200 ondersteunt (uiteraard) het Dolby 3D-systeem, XPAND en MasterImage. Voor zover bekend is er nog geen ondersteuning voor RealD, daar de voor dit systeem benodigde ghostbusting niet door de server wordt ondersteund. Ingest van content is mogelijk via het netwerk, USB 2.0, ingebouwde eSATA bay en DVD-player. Eventueel is er nog een externe storage m.b.v. glasvezel met de server te verbinden. Bediening gebeurt via een keyboard, muis en beeldscherm; eventueel hoeft dit slechts bij 1 server te worden geplaatst.
De Dolby DSS200 beschikt over een Digitale AES 16 kanaals audio output. Voor een analoge 6ch input is dus een DMA8 plus vereist (of een eenvoudigere D/A converter). Door de gebruiker is weinig aan de server in te stellen. Updates moeten bij Dolby worden aangevraagd en worden alleen op aanvraag verstrekt (er is een
KDM nodig om de update te installeren). De Dolby DSS200 beschikt niet over een normale aan/uit schakelaar of afsluitprocedure. De server dient eigenlijk 24/7 ingeschakeld te blijven.
Doremi (DCP2000, DP2K4 servers)
Meest geplaatste server ter wereld, met een Linux operating systeem. Operating system op SSD chip, content opslag op harddisks met 1.8 TB opslag Raid 5 (3 disks). Toegankelijke en open server met zeer uitgebreide automatiseringsmogelijkheden en ondersteuning van zeer veel randapparatuur zoals Dolby 3D, Jnior automatisering, soundprocessors etc. Eenvoudige koppeling mogelijk met andere servers of opslag, voor uitwisseling van content en playlists. Ingebouwde GPIO-mogelijkheden voor aansluiten van lichtsturing, kaders etc. Verkrijgbaar met ingebouwd beeldscherm voor bediening (DCP2000).
De mogelijkheden van deze server zijn eindeloos en de automatisering is in alle gevallen zo in te stellen dat een show, hoe gecompliceerd ook, vloeiend zal verlopen. Door de mogelijkheid om verschillende commando's in macro's onder te brengen, zijn gecompliceerde gecombineerde functies (b.v. het maken van een pauze met een vertoning van een pauzeplaatje voor 20 sec en de besturing van licht en geluid) onder te brengen in 1 simpel commando. Tevens kunnen er externe commando's (b.v. brandmelding e.d.) standaard ingegeven worden, zodat hier in elke show op wordt gereageerd.
De server heeft 8 externe ingangen en uitgangen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat deze niet zomaar alles kunnen aansturen. Er zijn interfaces in de handel die deze uitgangen voorzien van relais, zodat licht,gordijn,kader,audio e.d. eenvoudig en veilig aangestuurd kunnen worden. Eventueel is de server nog uit te breiden met een Jnior netwerk automatiseringsinterface die beschikt over 8 in- en uitgangen. Deze is ook weer uit te breiden met nog 4 extra in- en uitgangen. In totaal kan de server dus over 20 in- en uitgangen beschikken voor externe besturing.
3D-systemen als Dolby 3D en RealD worden door de server ondersteund. Ook biedt de server (met extra apparatuur) mogelijkheden om content (b.v. satelliet) via het netwerk naar de server te streamen. De betrouwbaarheid van de server is zeer hoog. Defecte drives e.d. kunnen door de gebruiker eenvoudig zelf hersteld of vervangen worden. De server beschikt over 2 power supplies.
Het ingesten van content gaat op de DCP2000 standaard via USB 2.0 of via een Gigabit netwerkverbinding. Er is een uitbreiding naar een externe eSATA-aansluiting mogelijk. De DP2K4-server heeft een DVD drive, netwerk, USB 2.0 en eSATA Bay voor de ingest van content. De server beschikt over een AES digitale audio uitgang met 16 kanalen. Doremi levert een eenvoudige D/A converter voor het omzetten naar analoge audio. Hiermee zijn ook oudere audioprocessoren nog bruikbaar. Naast bediening met een TMS-systeem is de server ook eenvoudig op afstand te bedienen m.b.v. een gratis VNC-client.
XDC Solo G3
Dit is een op Windows gebaseerde server met een opslag van 1.8 TB (raid 5, 3 disks), die recent werd overgenomen door Barco. De opslagcapaciteit van de server is in de toekomst uitbreidbaar. Het operating system bevindt zich op een aparte harddisk. De server is voor de gebruiker beperkt tot de mogelijkheden van de interface. Normaliter zijn deze voldoende.
De kracht van de G3-server zit hem in de zeer eenvoudig te bedienen interface en de mogelijkheid om extra functies te verbinden aan de meeste gebruikte bedieningsfuncties. Bijvoorbeeld: bij het drukken op play zal altijd de xenon worden ontstoken, worden kaders en voorgordijnen aangestuurd, wordt de audio op het juiste formaat geschakeld etc. Geen van deze functies hoeft dus in een show geprogrammeerd te worden. Hetzelfde geldt voor pauze, stop etc.
Daarnaast maakt deze server ook gebruik van zogenaamde autotransitions. Dit wil zeggen dat de server zelf kan bepalen in welk beeldformaat en encodering (MPEG-2, JPEG-2000, 3D) content afgespeeld moet worden. De server geeft dit automatisch door aan de projector. Er hoeft dus nergens in de show een formaatwissel te worden aangegeven. Deze optie in combinatie met de eenvoudige automatisering, maakt het dus mogelijk om een show te bouwen door alleen maar de gewenste reclame, trailers en hoofdfilm achter elkaar te slepen en desgewenst een pauzepunt te kiezen.
De Solo G3 beschikt over 16 relaisuitgangen voor automatisering en 8 ingangen. Ingest is mogelijk via Gigabit netwerk, USB 2.0, externe eSATA en een eSATA bay. Ook beschikt de server over een DVD-drive. Dolby 3D en RealD worden door de server ondersteund. De server wordt geleverd met een 15" touchscreen van Elo; muis en keyboard zijn niet nodig.
De Solo G3 bevat 4 netwerkaansluitingen voor projector en audioprocessor (geen extra switch nodig). Er is een aansluiting voor reguliere content en een aparte aansluiting voor externe toegang. De server beschikt over een AES digitale audio output met 8 kanalen. Er is een uitbreiding mogelijk met channel 9 t/m 16 zodat ook Dolby 7.1 weergave mogelijk is. XDC levert een eenvoudige D/A converter waarmee het audio signaal omgezet kan worden naar 6 analoge kanalen.
Pauze
Veel bioscopen in Nederland willen een hoofdfilm graag met pauze vertonen. Keer op keer krijgen installateurs dan ook de vraag of dit mogelijk is, en of het daarnaast mogelijk is om de pauze ook duidelijk aan de bezoekers aan te geven.
Aangezien veel serverfabrikanten hun wortels in de VS hebben liggen en pauze daar een vrijwel onbekend begrip is, zijn de meeste systemen hier dan ook niet in voorzien. Het is met de meeste servers dan ook niet mogelijk om content die wordt afgespeeld (b.v. een hoofdfilm) te onderbreken en dan b.v. een pauzefilmpje te vertonen en dan weer verder te gaan met de hoofdfilm. Hiermee wordt niet bedoeld dat het niet mogelijk is om de playout (tijdelijk) te pauzeren, dat kan in alle gevallen wel, maar het 'ertussen plakken' van andere content kan niet.
Met de TI-projectoren is er echter wel een trucje mogelijk. In de projector kunnen namelijk testpatronen worden opgeslagen. Het is mogelijk om hier ook een pauzeplaatje bij te zetten. Wanneer het pauze wordt, roept de server dit plaatje aan in de projector en krijgt het publiek de mededeling 'pauze!'. Hoe mooi en flexibel dit kan is afhankelijk van de server. Zoals eerder al aangegeven zijn vooral de Doremi en XDC G3 erg sterk in automatisering en kan dit pauzepunt bijzonder fraai worden aangestuurd. Een Dolby-server kan het ook, maar hoe mooi het hierbij gaat hangt af van de gebruikte projector.
De Sony-projector is een uitzondering op dit verhaal. Het mediablock in deze projector kan de voorstelling onderbreken en tijdens deze pauze kan iedere willekeurige content worden afgespeeld. Dit kan een eenvoudig pauzeplaatje zijn, of een aparte show met trailers. Na een vastgestelde tijd (of eerder als daarvoor het commando wordt gegeven) gaat de show weer verder met de oorspronkelijke content. |
|
Last Updated on Monday, 18 April 2011 23:38 |
|
Additionele mogelijkheden |
|
|
|
|
In het vorige hoofdstuk hebben we de basisinstallatie van een d-cinema systeem besproken. Deze bestaat uit een projector en een server, ter vervanging van de 35mm-projector en non-rewind (of spoelentoren). Digitale cinema biedt echter meer mogelijkheden dan een 35mm-projector. In dit hoofdstuk zullen we dan ook ingaan op keuzes die de exploitant moet maken m.b.t. een aantal toevoegingen aan de basisinstallatie:
- 3D-projectiesystemen
-
TMS, het Theatre Management System
- LMS, het opslagsysteem voor digitale films
3D-systemen
Er zijn momenteel vier gangbare 3D-systemen op de markt. Grofweg kan een scheiding gemaakt worden in systemen die gebruik maken van polarisatietechniek en de overige systemen. Vuistregel is dat polarisatiesystemen gebruik maken van goedkope (wegwerp-) brillen en ALTIJD een silver screen vereisen. De overige systemen kunnen in principe gebruikt worden met een normaal scherm, maar gebruiken meestal duurdere brillen.
Welk 3D-systeem het beste is voor u, hangt erg af van de situatie in het theater. Wanneer de bezoekersstroom goed te controleren is, kan gekozen worden voor een systeem met duurdere brillen. Houd er rekening mee dat brillen voor hergebruik niet alleen ingenomen en opgeslagen, maar ook schoongemaakt moeten worden voordat ze terugkomen bij de bezoeker.
Dolby 3D
Het Dolby 3D-systeem maakt gebruik van kleurscheiding om het gewenste afdekken van het juiste oog te bereiken. In de projector wordt een 'kleurenwiel' gemonteerd dat zich direct na de xenonlamp in de primaire lichtstroom bevindt. Dit wiel wordt aangestuurd door een controller en loopt exact synchroon met de geprojecteerde beelden. De speciale passieve bril kan op basis van kleurverschillen (gegenereerd door het filter in de projector) op het juiste moment het juiste oog afdekken. De bril zelf is passief en heeft dus geen batterijen of bewegende onderdelen.
Door de vaste installatie van het wiel in de projector is het onmogelijk om het systeem tussen zalen te verplaatsen. Naast een zeer nauwkeurige inbouw in de projector, moet er ook veel aandacht gegeven worden aan een kleurmeting van de projector. Hiermee kan het kleurverschil tussen het linker- en rechteroog, dat ontstaat door de verschillende filters, weer gecorrigeerd worden. Ondanks de verschillen tussen installatie in de verschillende merken projectoren, kan gesteld worden dat inbouw van Dolby 3D van alle 3D-systemen de meeste tijd vraagt.
Net als XPAND kan het Dolby 3D-systeem met alle typen schermen overweg. Wel moet er rekening mee gehouden worden dat het systeem een vrij inefficiënte lichtdoorlating heeft. Met andere woorden: er gaat zeer veel licht (88%) verloren. Wanneer er sprake is van een scherm breder dan 7 meter, wordt het aantrekkelijk om te kiezen voor een scherm met een gain van 1.4 of hoger (zie het hoofdstuk over schermen voor uitleg over gain). Op deze manier blijft het benodigde lichtvermogen nog een beetje binnen de perken, wat natuurlijk mede afhankelijk is van de keuze van de projector. Ga er van uit dat het systeem bruikbaar is tot een beeldbreedte van maximaal 15 meter, maar dat het in veel gevallen moeilijk zal zijn om een juiste balans in lichtopbrengst tussen 2D en 3D te verkrijgen. Vaak is het al een probleem om 3D-lichtwaarden van 4 ft/l (de aanbeveling van DCI) te bereiken. Voor zeer grote schermen is er een speciale versie van het systeem verkrijgbaar (Dolby 3D LS), dat gebruik maakt van 2 projectoren.
Het Dolby 3D-systeem heeft een zeer fraaie kleurweergave en heeft nauwelijks last van ghosting-effecten. Een deel van de kleurcorrectie wordt uitgevoerd in de server. Hiervoor is speciale software nodig tegenwoordig kosteloos te verkrijgen is en beschikbaar is voor de Dolby server, de Doremi en de XDC G3. Mits goed ingesteld is het een bijzonder prettige manier van 3D kijken. De brillen zijn een goed alternatief voor de dure XPAND-brillen, en als men niet wil overstappen op een zilverscherm.
Een opmerking moet gemaakt worden over Barco-projectoren in samenwerking met het Dolby 3D-systeem. Als enige hebben deze projectoren een volledig geïntegreerde oplossing, die het Dolby 3D-systeem tot onderdeel van de projector maakt. Ook de normaliter benodigde DCF100-controller komt te vervallen, daar deze functie wordt overgenomen door de software van de projector.
MasterImage
Het Koreaanse MasterImage-systeem maakt gebruik van een roterend polarisatiefilter voor de gewenste afdekking. Het systeem bevindt zich volledig buiten de projector en bestaat uit een unit die voor de lens van de projector wordt geplaatst. Het bovendeel bestaat uit een metalen schijf met een uitsparing. Hierin draait een kunststof disk rond, die voorzien is van een tiental vlakjes. Dit zijn polarisatiefilters. De snelheid en positie van de disk wordt nauwkeurig bepaald, waardoor deze synchroon loopt met de vertoonde beelden. Wanneer een beeld voor het linkeroog weergegeven wordt, staat er dus een filter voor de lens dat rechts afdekt enz.
Het 3D-effect wordt verkregen in combinatie met een zilverscherm (absoluut 100% noodzakelijk) en een gepolariseerde bril. Door het gebruik van het zilverscherm is de lichtefficiëntie van het systeem redelijk hoog. Een 3kW lamp is voldoende voor een 12 meter breed scherm. Voordeel van het systeem is de eenvoudige installatie en de mogelijkheid om het systeem te verhuizen naar een andere zaal (mits voorzien van zilverscherm). Het verplaatsen is echter niet zo eenvoudig als met XPAND. De brillen zijn van het wegwerpmodel en zeer goedkoop; verlies van brillen is normaliter geen probleem. Sinds een jaar zijn de brillen aangepast en gelijk aan de brillen van RealD, dus eventueel ook door elkaar te gebruiken. Bij projectie van 2D-films kan men het filter d.m.v. een drukknop laten zakken, zodat de lens vrij is.
Nadelen van het systeem zijn de snelle vervuiling van de disk (zeker in een stoffige cabine) door de hoge rotatiesnelheid (5000 RPM bij triple flash). Dit houdt in dat de disk eigenlijk wekelijks schoongemaakt moet worden om een mooi scherp beeld te houden. Dit schoonmaken is betrekkelijk eenvoudig en duurt niet lang. De kunststof disk kan slecht tegen hoge temperaturen en moet dus ALTIJD draaien als er licht doorheen schijnt. De unit wordt normaliter met de hand gestart! Wanneer dit vergeten wordt, dan zal de disk binnen enkele seconden (bij 6kW) tot enkele minuten smelten en het filter verbranden. Standaard wordt een reservedisk meegeleverd, een nieuwe kost rond de 400 euro.
Zoals alle polarisatiesystemen is er enige aanleg voor ghosting. Onder normale omstandigheden is dit echter minimaal en er is geen speciale patch in de server noodzakelijk. Tenslotte maakt het systeem door de hoge rotatiesnelheid meer lawaai dan de andere systemen.
RealD
RealD is een 3D-systeem op basis van roterende polarisatie. In tegenstelling tot MasterImage maakt men hier echter geen gebruik van een roterende disk, maar van een speciaal paneel waar licht doorheen schijnt en dat van polariteit kan veranderen. RealD was een van de eerste 3D-systemen voor D-cinema en men heeft dan ook zeer veel ontwikkeling en ervaring opgedaan. Dit is goed terug te zien aan hun product. Er zijn 2 systemen beschikbaar.
RealD Z-screen Dit is het originele systeem, dat bestaat uit een enkel filter dat zich voor de lens bevindt. Via een speciale beugel kan het filter bij 2D-shows weggeklapt worden. Het filter wordt bestuurd door een controller, die ervoor zorgt dat het filter synchroon loopt met het beeld. Ook de ventilatoren die het filter koelen worden door de controller aangestuurd. De lichtefficiëntie van het RealD Z-screen is vergelijkbaar met MasterImage en het systeem is bruikbaar voor schermen tot ongeveer 15 meter breed.
RealD XL Om een hogere lichtefficiëntie te bereiken, heeft RealD het RealD XL-systeem ontwikkeld. Hierbij wordt het licht uit de projector verdeeld tussen 2 filters, waardoor het systeem tot wel 28% effectief is. Het is dan ook het enige systeem dat met een enkele projector schermen tot 25 meter breed van 3D kan voorzien.
Omdat het RealD XL-systeem het beeld splitst, worden er aan de voorzijde van de unit ook 2 beelden boven elkaar geprojecteerd. Hierdoor is het essentieel dat het cabinevenster groot genoeg is (vooral hoog). Ook de afstand tussen de lens en het venster wordt vergroot, doordat het filter daartussen geplaatst wordt. Dit draagt er ook toe bij dat het beeld op het venster groter is dan normaal. Voordat er voor dit systeem gekozen wordt, moet er d.m.v. een sheet waarin alle waarden, maten en afstanden ingevuld worden, zeer nauwkeurig gekeken worden of alles wel past en wat er eventueel aangepast zou moeten worden. Dit voorwerk is zeer belangrijk om problemen en teleurstellingen te voorkomen.
Zowel het RealD Z-screen als RealD XL hebben een zilverscherm nodig. Net als bij een Z-screen kan het RealD XL-filter (handmatig!) opzij geschoven worden bij vertoning van 2D-films.
De installatie van RealD XL kost veel meer tijd dan b.v. het Z-screen, doordat er een behoorlijke constructie aan de projector bevestigd moet worden. Vaak steunt deze zelfs met aparte poten op de grond. Daarna moeten de beide beelden zo nauwkeurig mogelijk over elkaar afgesteld worden. Wanneer dit naar behoren gedaan is, kan 2D ook prima door het filter vertoond worden. De hele controller is in de XL-unit geïntegreerd; via een display is de status af te lezen.
RealD heeft een afwijkende financieringsconstructie als het gaat om de aanschaf en eigendom. Beide systemen zijn niet te koop, maar er wordt een licentie gekocht om het systeem voor 5 jaar te mogen gebruiken. RealD levert hierbij dan de benodigde apparatuur. Standaard wordt de RealD XL-unit geleverd; op verzoek (als RealD XL echt niet past) het Z-screen. Beide systemen blijven dus altijd eigendom van RealD.
De kosten zijn 10.000 dollar per zaal voor een periode van 5 jaar. Naast dit bedrag moet per bezoeker nog een bedrag van 0,50 dollar per kaartje worden afgedragen. Er zijn nog andere financiële constructies mogelijk, en de prijs kan veranderen als er b.v. voor alle 3D-zalen binnen een concern gekozen wordt voor RealD.
XPAND
Het XPAND-systeem maakt gebruik van een elektronisch bestuurde bril. Deze bril is voorzien van 2 LCD-panelen die de afdekking van de ogen regelen. De bril wordt bediend d.m.v. een infraroodzender (emitter). Voor het aansturen van de brillenglazen heeft de bril een batterij aan boord. Deze heeft een levensduur van ongeveer 300 uur en zal dus af en toe vervangen moeten worden.
De infraroodzender kan zeer eenvoudig achter het cabinevenster geplaatst worden en behoeft slechts een zeer eenvoudige afstelling. Het is dan ook mogelijk om de 3D-installatie binnen enkele minuten naar een andere zaal te verplaatsen. Ook de installatie van het systeem vereist weinig tijd. Het systeem werkt met elk type scherm en heeft nagenoeg geen last van het ghosting effect.
Nadeel van het XPAND-systeem is de hoge prijs van de brillen en daarmee de kwetsbaarheid en diefstalgevoeligheid. De bezoekersstroom moet goed in de gaten gehouden worden om er zeker van te zijn dat alle brillen ingeleverd worden. Deze moeten na gebruik gereinigd worden en van tijd tot tijd worden gecontroleerd op werking (hiervoor is een tester beschikbaar).
Er is een klein systeem voor zalen tot 120 stoelen en grotere systemen met tot 4 emitters voor grotere zalen. Het systeem zelf is het goedkoopst in aanschaf, de brillen bepalen echter het grootste deel van de prijs.
Dubbelprojectie Naast alle systemen om 3D via één projector weer te geven, bestaat er ook de mogelijkheid om hier twee projectoren voor te gebruiken. Hoewel dit natuurlijk een forse extra investering met zich meebrengt, is het de meest natuurlijke manier om 3D te vertonen.
Technisch is het vrij eenvoudig. De server genereert - net als bij een enkele projector - het 3D-signaal over 2 videokabels, waarbij de ene kabel het signaal voor het linker- en de andere het signaal voor het rechteroog bevat. Deze kabels worden nu echter elk op een eigen projector aangesloten. De server wordt verder ingesteld zodat hij met 2 projectoren kan communiceren, waardoor hij de projectoren niet alleen kan besturen, maar zodat ook de encryptie (cinelink2) zonder problemen verloopt. Doremi- en Dolby-servers kunnen hier zonder problemen mee omgaan.
Het is aan te bevelen om de objectieven van beide projectoren zo dicht mogelijk bij elkaar te plaatsen. De beide beelden moeten immers zo nauwkeurig mogelijk over elkaar ingesteld worden; hoe verder de projectoren van elkaar af staan, hoe moeilijker dit wordt. Er kan voor gekozen worden om de projectoren naast elkaar op te stellen, maar b.v. ook op elkaar ('stacked'), waarbij dan wel maatregelen moeten worden getroffen om de luchtafvoer van de onderste projector zeker te stellen.
Het is afhankelijk van het merk projector of de gemotoriseerde objectieven bruikbaar blijven. Wanneer de instelling van deze objectieven enigszins verloopt, is dit natuurlijk van invloed op de kwaliteit. Het kan dan beter zijn om deze mogelijkheid uit te schakelen. Als 3D filter kan b.v. gekozen worden voor passieve circulaire polarisatiefilters. Daarmee wordt hetzelfde soort polarisatiesysteem toegepast als bij RealD en MasterImage, maar dan met eenvoudige filters in de vorm van glasplaten die wegklapbaar voor de lens van de projector gemonteerd worden. Er is een apart filter voor de linker en de rechter projector nodig en de filters worden met een eenvoudige ventilator gekoeld.
Voordeel van het dubbelprojectie-systeem is dat de aanschafkosten van het 3D-systeem heel laag zijn, terwijl de beeldkwaliteit is heel hoog is. Er zijn verder geen extra kosten, zoals bijvoorbeeld licentiekosten. Ook de gebruikte brillen zijn zeer goedkoop (minder dan 1 euro per stuk). Omdat het een polarisatiesysteem is, is er wel een zilverscherm nodig. De lichtopbrengst van deze vorm van 3D-projectie is zeer hoog en vaak kan er voor 2 relatief kleine projectoren gekozen worden. Wanneer er 2D geprojecteerd moet worden kan dit via 1 projector gedaan worden, waarbij het filter wordt weggeklapt. Als de server in 3D-modus blijft staan, hoeven er voor een 2D-voorstelling ook geen kabels omgestoken te worden en kunnen beide projectoren (b.v. om en om) voor 2D-projectie gebruikt worden.
Nadeel van het systeem zijn de hoge aanschafkosten van een 2e projector, wat deels wordt gecompenseerd door het goedkope 3D-systeem en het feit dat er een backup-projector is. Daarnaast zijn er extra investeringen noodzakelijk voor het aanleggen van stroom en afzuiging. Er moet ook voldoende plaats in de cabine zijn en de cabinevensters moeten groot genoeg zijn.
Naast dit systeem met passieve polarisatiefilters, heeft Dolby een systeem voor grotere schermen met 2 projectoren (Dolby 3D LS) en werkt ook Sony aan een oplossing met 2 machines.
Theatre Management System (TMS)
Het Theatre Management System (TMS) wordt vaak in één adem genoemd met het digitaliseren van een bioscoop. Een TMS biedt de mogelijkheid om vanaf 1 plek de content en shows van alle zalen in goede banen te leiden. Hierbij moet gedacht worden aan het samenstellen van de shows (maken van een playlist, dus samenstellen van trailers, hoofdfilm, pauze, automatisering enz.) en het maken van een draaischema voor elke zaal (voor bijvoorbeeld de komende speelweek). Zonder TMS is dit ook mogelijk, maar moet dit per zaal op de server zelf worden gedaan.
Naast de mogelijkheid om op afstand te programmeren, zal de TMS ook aangeven of alle benodigde content in een playlist ook daadwerkelijk op de server aanwezig is, evenals de benodigde
KDM's. Sommige systemen zullen zelfs actief op zoek gaan naar de content op de andere servers of de LMS in het theater, en die automatisch overdragen naar de server waar de content nodig is (afhankelijk van het gebruikte TMS-systeem). Wanneer content of KDM's niet aanwezig zijn, dan zal het systeem de gebruiker hiervan een melding geven.
Het systeem zorgt ervoor dat de servers op het juiste moment de juiste show starten en geven informatie over het verloop van de shows, zodat eenvoudig te zien is welke voorstelling waar draait en op welk punt in het programma een voorstelling is. Complete shows (playlists) hoeven niet meer per zaal aangemaakt te worden, maar kunnen door het hele theater worden ingezet. De TMS speelt ook een belangrijke rol in het bijhouden van de gespeelde shows en het opslaan en doorsturen van deze gegevens naar de integrator. Dit i.v.m. het verrekenen van de VPF.
Vaak wordt de vraag gesteld vanaf hoeveel zalen je nu eigenlijk een TMS nodig hebt. Dit hangt vooral af van de manier waarop men in het theater wil werken. Wanneer er sprake is van 1 zaal, dan is er geen noodzaak voor een TMS-systeem. Shows kunnen in de server samengesteld worden en iedere server heeft de mogelijkheid om via een vooringesteld schema d.m.v. een 'scheduler' de voorstelling op tijd te starten. Wanneer er echter meerdere zalen zijn, kan een TMS al snel een handig hulpmiddel zijn. Natuurlijk kan men ook zonder en zijn veel servers ook anders op afstand te monitoren (Dolby via een eigen client, Doremi via VNC etc.) en kunnen de servers onderling verbonden worden om content uit te wisselen.
Wanneer een TMS-systeem echter als onderdeel van de VPF-deal wordt aangeboden, is er eigenlijk geen reden om die mogelijkheid niet te gebruiken, ook niet bij 'maar' 2 of 3 zalen. Bijkomend voordeel is dat het omgaan met het TMS-systeem vaak al voor een groot deel voldoende is om de voorstellingen goed te kunnen laten verlopen. Men hoeft dus in basis alleen maar kennis te hebben van het TMS-systeem en de interface en niet van de projector of de server.
De TMS maakt gebruik van de netwerkstructuur van het theater voor het besturen van servers en projectoren (management-netwerk) en het versturen van content (content-netwerk). Wanneer deze netwerken aanwezig zijn, is dit voldoende voor het TMS-systeem.
Er zijn vele TMS-systemen op de markt en de kracht van de meeste systemen is dat ze kunnen werken met meerdere merken servers, en zo (ongeacht het type servers) een gelijke interface voor het gehele theater aanbieden. De meeste serverfabrikanten hebben hun eigen TMS (Doremi, XDC, Dolby), sommige projectorfabrikanten bieden een TMS aan (Kinoton) en er zijn onafhankelijke systemen verkrijgbaar (Dvidea, Unique). Sommige integrators hebben ook een eigen TMS en bieden die aan als onderdeel van een deal (Arts Alliance Media).
LMS
Een Library Management System (LMS) wordt vaak gezien als onderdeel van het TMS-systeem, maar is in feite niets meer dan een centrale opslagserver voor content. Het is mogelijk om de content vanaf de harddisk eerst op de LMS-server te kopiëren en vanaf daar snel over de servers te verdelen. Wanneer content wat langer bewaard moet worden, biedt een LMS ook uitkomst daar de content dan op de LMS kan blijven staan zonder ruimte op de server in te nemen. Er bestaan verschillende soorten LMS-servers, waarbij het er in veel gevallen op neerkomt dat de server in basis gezien kan worden als NAS- of FTP-server. Extra functionaliteit kan dus zijn dat er van buitenaf content op gezet kan worden door distributeurs (Smartjog of de Gofilex filmkluis), of dat het zelfs mogelijk is om live events via dit systeem weer te geven.
Het hangt van de gebruikte LMS-server af, of van het TMS-systeem, hoe flexibel het systeem is in het heen en weer kopiëren van content. Van de LMS naar een server sturen is nooit een probleem. Van een server terug naar de LMS vaak wel. Dit heeft te maken met de manier waarop een server omgaat met de DCP als deze ge-
ingest (geladen) wordt. De server heeft niet de mogelijkheid om de DCP – de transportvorm van de digitale film - weer in z'n oorspronkelijke vorm door te sturen. Voor servers onderling is dit meestal geen probleem, maar een LMS is een opslagserver, geen afspeelserver.
De noodzaak van een LMS neemt toe als het aantal afspeelservers binnen een theater toeneemt. Toch kan het zelfs met een enkele afspeelserver al handig zijn om een uitwijkmogelijkheid voor opslag te hebben. Let er wel op dat het interessant kan zijn om content te bewaren, maar dat voor de meeste films een KDM noodzakelijk is om hem af te kunnen spelen. Deze KDM is altijd tijdgebonden.
Wanneer er gekozen wordt voor een LMS met externe toegang - zoals bijvoorbeeld Smartjog - is de snelheid van deze externe toegang natuurlijk bepalend voor de snelheid waarmee films kunnen worden afgeleverd. De verbinding kan via ADSL lopen, maar er zijn ook mogelijkheden om dit via satelliet of glasvezel te doen, waarbij zeer hoge snelheden mogelijk zijn. |
|
Last Updated on Monday, 18 April 2011 23:38 |
|
Aanpassingen aan de cabine |
|
|
|
|
Om een projectiecabine geschikt te maken voor digitale projectie, dienen er veelal aanpassingen te worden gedaan. De aard of omvang van deze aanpassingen verschilt per complex, en heeft onder meer te maken met hoe nieuw de bioscoop is en of er de afgelopen jaren veel of weinig in is geïnvesteerd. Sommige benodigde aanpassingen kan de bioscoopexploitant of operateur zelf bedenken; andere komen pas aan het licht in de zogenaamde 'site survey'. In dit hoofdstuk behandelen we de meest courante aanpassingen die men tegen kan komen bij de overschakelingen naar digitale projectie:
- audio, inclusief alle audio processors, oud en nieuw
- aansluiten van alternatieve videobronnen
- afzuiging
- elektrische aansluitingen
- cabinevensters
- internet-aansluitingen en het aanleggen van een netwerk
Audio
De huidige generatie servers maken allemaal gebruik van digitale audio-outputs. Deze uitgangen (meestal AES genoemd) bieden 8 tot 16 digitale kanalen audio. Het geluid is ongecomprimeerd en daarmee vanuit het oogpunt van dynamiek en weergave van zeer hoge kwaliteit. Om het geluid aan de eindversterkers te kunnen aanbieden, moet het omgezet worden van digitaal naar analoog. Deze D/A conversie kan plaatsvinden in een losse D/A converter, in een losse media-adapter of in de audioprocessor.
DCI schrijft voor dat er minimaal sprake moet zijn van een 5.1 audio-installatie. Links,midden,rechts,links surround,rechts surround en subwoofer moeten dus apart aan te sturen zijn. Als we kijken naar de audio processoren van Dolby, dan is het in principe mogelijk om de Dolby CP45,CP55,CP65,CP500 en CP650 voor 5.1 weergave te gebruiken. Er is echter wel een aantal punten waarop gelet moet worden.
CP45: Deze processor moet voorzien zijn van de CAT 515 voor gescheiden surround weergave. Deze kaart is nog te bestellen. Hiermee kan de processor externe 6ch input weergeven. Wanneer de processor in het verleden gebruikt is met DTS of een met een DA20, dan zal deze aanpassing waarschijnlijk al gedaan zijn.
CP55: Er moet een flink aantal aanpassingen gedaan worden aan de backplane van de processor en aan de CAT 243-kaart. Daarnaast moet de processor voorzien zijn van een CAT 441 input card voor 6ch weergave (de oudere CAT 241 voldoet NIET!). Wanneer de processor in het verleden gebruikt is met DTS of met een DA20, dan zal deze aanpassing waarschijnlijk al gedaan zijn. Let op dat de CAT 441 door Dolby niet meer nieuw geleverd wordt. Ook wordt op de CP55 sinds 2008 door Dolby geen service meer aangeboden. Hoewel er kwalitatief niets mis is met de processor, is het aan te raden om na te denken over een vervanger wanneer 35mm-projectie in deze cabine zal verdwijnen.
CP65: Deze processor moet voorzien zijn van de CAT 441 input card voor 6CH weergave. Wanneer de processor in het verleden gebruikt is met DTS of met een DA20, dan zal deze aanpassing waarschijnlijk al gedaan zijn. Let op dat de CAT 441 door Dolby niet meer nieuw geleverd wordt. Ook wordt op de CP65 sinds 2008 door Dolby geen service meer aangeboden. Hoewel er kwalitatief niets mis is met de processor, is het aan te raden na te denken over een vervanger wanneer 35mm-projectie in deze cabine zal verdwijnen.
CP500: Deze processor moet voorzien zijn van de CAT 685 inputcard voor weergave van 6 channel input. Wanneer deze processor in het verleden gebruikt is met DTS, dan zal deze card waarschijnlijk aanwezig zijn. Op dit moment is de CAT 685 nog steeds leverbaar.
CP650: Deze processor beschikt standaard over een 6ch analoge input. Daarnaast is het mogelijk om de processor te voorzien van een 8ch AES input. Hiervoor is de CAT 790 EX -adapter noodzakelijk. Na inbouw van deze kaart (en het evt. aanpassen van de surround aansturing van de eindversterkers) zijn 4 AES ingangen (2 kanalen per ingang) beschikbaar aan de achterzijde. Via een speciale kabel is deze option I/O aansluiting te splitten in een EX uitgang en AES ingangen. Met deze kaart is in principe ook 7.1 weergave mogelijk. De oudere CAT 794 EX-adapter ondersteunt GEEN 8-kanaals digitale ingang en is m.b.t. het aansluiten van een server ook niet bruikbaar!!
D/A converters
Er zijn diverse eenvoudige 8-kanaals D/A converters op de markt om een server eenvoudig met de bestaande audioprocessor te verbinden. Doremi en XDC leveren deze converter desgevraagd mee met de server. Ultra Stereo (USLinc) levert ook een losse converter (DAX-602). Het enige wat deze units doen is het omzetten van de digitale input in een analoge output. Soms is deze output gebalanceerd, zodat er nog een kleine aanpassing gedaan moet worden voordat het signaal aan een audioprocessor kan worden aangeboden.
DMA8 Plus / USL ECI-60 Naast eenvoudige converters zijn er ook zogenaamde media-adapters op de markt. Wanneer men graag de originele processor wil (of moet) behouden, maar toch flexibel wil zijn als het gaat om het aansluiten van diverse (digitale) bronnen, is de aanschaf van een media-adapter een zinnige overweging.
Op de media-adapter kan de digitale output van de server worden aangesloten, waarna de adapter deze omzet naar een analoge output. Daarnaast kunnen er meerdere digitale bronnen b.v. AC3-outputs van Blu-ray players of satellietontvangers worden aangesloten. Dit kan zowel d.m.v. S/PDIF (coax) als TOSLINK (glasvezel). Deze media-adapters bevatten veelal ook een 6-kanaals analoge ingang die doorgekoppeld kan worden en er zijn vaak nog meer mogelijkheden, zoals stereo analoge ingangen waarop Pro-logic encoding mogelijk is. De Dolby DMA8 Plus levert naast deze functionaliteit ook nog de mogelijkheid tot de decodering van Dolby E, een professionele vorm van AC3 die gebruikt wordt op b.v. HDCAM.
USL JSD-80 / Datasat AP20 Dit is een nieuwe generatie audioprocessoren die volledig zijn voorbereid op digitale cinema. Naast een aansluiting voor de server (8-kanaals AES input) bieden ze ook een 8-kanaals analoge input en diverse aansluitingen voor AC3- of PCM-streams (voor het aansluiten van satelliet- ontvanger, Blu-ray etc.).
Bijzonder aan deze processoren is verder dat er ook nog de mogelijkheid is om 2 analoge projectoren aan te sluiten. Op deze manier is weergave van de analoge formaten Mono, Dolby A en Dolby SR mogelijk (let er wel op dat de kwaliteit van b.v. SR-weergave minder zal zijn dan die van een originele Dolby-processor). Via de 8-kanaals analoge input kan eventueel een DA20 SRD-processor worden aangesloten (niet meer nieuw verkrijgbaar!), waardoor volwaardige 35mm-weergave ook nog mogelijk is. De JSD-80 heeft deze aansluitingen standaard aan boord, voor de Datasat is een uitbreiding noodzakelijk.
Beide processoren beschikken over een PC-interface voor het inregelen en kunnen via UTP bestuurd worden. De Datasat AP20 beschikt ook over diverse HDMI-aansluitingen en kan daarmee als 'switch' gebruikt worden om diverse digitale bronnen (beeld en geluid) eenvoudig te kunnen selecteren. Daarnaast heeft deze processor ook nog ingebouwde automatiseringsmogelijkheden door diverse GPI/GPO's. Dit kan gezien worden als dezelfde functionaliteit als b.v. de Jnior modules.
USL JSD-100 / Dolby CP750 / QSC DCP series / Datasat AP20 Een greep uit het aanbod van de laatste generatie audioprocessoren. Deze hebben gemeen dat er geen aansluitingen voor 35mm meer aanwezig zijn. Deze processoren zijn ontworpen en geoptimaliseerd voor de weergave van digitale cinema. Naast de nodige digitale aansluitingen bieden alle processoren nog wel analoge inputs voor non-sync en 6-kanaals of 8-kanaals audio.
Dolby CP750 Deze processor zal zeker door de naam Dolby voor veel bioscopen de processor van de toekomst worden. Qua prijs is de processor zeer interessant en hij heeft veel aansluitmogelijkheden. 7.1 audio ondersteuning, eenvoudige bediening en goede geluidskwaliteit maken de CP750 op dit moment tot een zeer goede keuze.
USL JSD-100 Vergelijkbaar met de CP750 maar goedkoper in aanschaf.
QSC DCP-serie Dit is meer dan alleen een processor. Wanneer er voor gekozen wordt om de hele geluidsinstallatie te vervangen en b.v. ook nieuwe versterkers te kiezen, is de keuze voor een QSC-processor in combinatie met QSC-versterkers zeer interessant. Naast processing en equalizing biedt deze processor namelijk ook volledige besturing en monitoring van de versterkers en speakers, cross-overs, een ingebouwde booth monitor etc.
Datasat AP20 Deze processor is hierboven al besproken. Wanneer de input card voor 35mm-projectoren wordt weggelaten, hoort hij zeker ook in dit rijtje thuis. Doordat hij een van de meest recente nieuwkomers is, heeft hij een aantal bijzondere functies aan boord.
Aansluiten van alternatieve videobronnen
Zoals al eerder aangegeven, beschikken alle projectoren over de mogelijkheid om naast een server ook alternatieve videobronnen aan te sluiten. In bijna alle gevallen zal dit gebeuren via de DVI-aansluitingen. Hoewel alle projectoren over een DVI-aansluiting beschikken, zijn daar wel een paar opmerkingen over te maken. TI-projectoren hebben standaard 2 DVI-aansluitingen, Sony SXRD-projectoren hebben er 1. In het geval van Sony is dit aantal echter wel uit te breiden m.b.v. een speciale adapter.
Er zijn daarnaast ook speciale satelliet-ontvangers die gebruik maken van HDSDI-aansluitingen (b.v. voor 3D satelliet-uitzendingen). Voor alle TI-projectoren moeten hiervoor de aansluitingen verwisseld worden met die van de server (uitzondering is NEC, die alle projectoren voorziet van 4x HDSDI). Sony heeft hiervoor ook een aparte input-module nodig. Wanneer gebruik gemaakt wordt van een IMB, zijn de HDSDI inputs gewoon beschikbaar.
DVI
Zoals gezegd is DVI de meest gebruikte aansluiting voor alternatieve content. DVI (digital visual interface) bestaat in zeer veel vormen; de aansluiting op D-cinema projectoren is de DVI-D norm (alleen digitale signalen). De laatste jaren is DVI op Home cinema-apparatuur veelal verdrongen door de HDMI-standaard (High Definition Multimedia Interface). Beide standaards zijn echter compatible, en met een eenvoudige kabel HDMI → DVI kan b.v. een Blu-ray speler direct op de DVI-input worden aangesloten. HDMI biedt de mogelijkheid om ook audio te transporteren, DVI biedt deze mogelijkheid niet.
De nieuwe generatie projectoren heeft de eigenschap zelf (beperkt) te kunnen scalen. In de praktijk betekent dit dat apparatuur als een Blu-ray speler, HD satelliet-ontvanger en laptop (met DVI of HDMI aansluiting) direct, zonder tussenkomst van een aparte scaler op de projector kunnen worden aangesloten. Aangezien op deze manier 85% van de meest voorkomende bronnen weergegeven kan worden, is voor de meeste bioscopen de noodzaak van een aparte videoscaler grotendeels verdwenen. De projector kan het aangeboden signaal (720P, 1080P etc.) namelijk over het volledige beeld uitvullen.
Sony-projectoren zijn minder flexibel met het aangeboden signaal en vullen niet automatisch het complete beeld uit. Dit is geen bezwaar, zolang er maar 1080P-signaal aangeboden wordt. Schotelontvangers gaan echter meestal niet verder dan 1080I (interlaced) of 720P.
In het verleden (projectoren van voor 2009) waren er vaak problemen met de beveiliging op HDMI-signalen. Dit is echter verleden tijd. Alle projectoren hebben tegenwoordig volledige HDCP (high bandwidth digital content protection) ondersteuning.
Videoscalers
Om flexibeler te kunnen zijn in het verwerken van videosignalen en de beschikking te hebben over veel meer aansluitingen, zijn er videoscalers beschikbaar. De functie van zo'n scaler is vrij simpel: pas alle mogelijke ingangsignalen aan, zodat die via dezelfde uitgang aan de projector kunnen worden aangeboden. Zoals eerder aangegeven accepteert de digitale projector alleen digitaal signaal binnen de DVI-D standaard. Voor het aansluiten van analoge bronnen (VGA, component, composiet video etc.) is een scaler dus een absolute must.
De signaalbewerking valt uiteen in 2 delen:
- Het signaal van analoge of digitale bronnen wordt omgezet in een DVI-D signaal
- De frequentie, colour space, resolutie, opbouw (progressive / interlaced) worden aangepast aan die van het gewenste uitgangssignaal.
Afhankelijk van de aansluitmogelijkheden en de bediening, kan het beeld dus precies pas op het scherm worden geprojecteerd, wat prettig is bij presentaties, aangezien er door masking vaak randjes van het beeld afvallen. Daarnaast kunnen kleuren worden aangepast en afhankelijk van de scaler kan er b.v. eenvoudig geschakeld worden tussen de verschillende ingangen en kunnen extra's worden toegevoegd zoals Picture in Picture en keystone correctie.
Het aanbod aan scalers is zeer groot en de juiste keuze hangt af van budget en de gestelde eisen. Drie modellen worden nader toegelicht:
Barco ACS-2048 19" videoscaler van Barco gebaseerd op Folsom-techniek. Perfecte beeldkwaliteit en zeer eenvoudige bediening op eigen display. Kiest d.m.v. 'auto acquire' altijd de optimale weergave van het aangeboden signaal. Eenvoudige voorkeuzes voor de signalen en alle aansluitingen zitten aan de voorzijde! De scaler beschikt over HD-SDI (!!!!), 2X DVI, VGA, composiet, component (RGBHV) en S-VHS inputs.
Christie Cine-IPM Professionele scaler, vergelijkbaar met de Barco ACS-2048. Beschikt over DVI-input, component, composiet en S-VHS. Voor VGA moet gebruik gemaakt worden van de component-ingang en een VGA → RGBHV kabel.
Er is standaard maar 1 DVI-ingang beschikbaar en geen HD-SDI. Deze mogelijkheden zijn wel toe te voegen door uitbreidingsmodules. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de prijs hiervan zeer hoog is: voorzien van HD-SDI-input verdubbelt de aanschafprijs. De scaler is voorzien van afstandsbediening en maakt gebruik van on-screen menu's. De instellingen zijn zeer uitgebreid. Belangrijke features zijn o.a. de mogelijkheid tot keystone correctie (!!!!) en picture in picture. Alleen deze twee opties maken de Christie Cine-IPM al zeer interessant voor b.v. presentaties. Het is alleen jammer dat het aantal aansluitingen wat beperkt is.
Alternatieven Voor de home-cinema, high end en semi-professionele markt zijn zeer veel scalers beschikbaar. Veel hiervan zijn prima toepasbaar in combinatie met D-cinema projectoren. Wel moet vaak kritisch gelet worden op de gewenste aansluitingen, de kwaliteit van de videoverwerking op een groot scherm en de praktische bediening. Daarentegen zijn er vaak opties aanwezig zoals het meeschakelen of zelfs converteren van audio, iets wat bovenstaande scalers niet kunnen.
Belangrijk is om te bepalen welke aansluitingen nu en in de toekomst gewenst zijn en of een scaler echt nodig is. Daarnaast moet nagedacht worden over de mogelijkheden die een scaler verder nog aan het beeld moet kunnen toevoegen (kleurcorrectie, zoomfunctie etc). Aan de hand hiervan kan dan een keuze gemaakt worden. Dit hoeft natuurlijk niet direct met de aanschaf van een projector te gebeuren.
Temperatuur en klimaat in de cabine
Over dit onderwerp is veel te doen. Digitale projectoren kunnen door hun elektronica en opbouw minder goed tegen warmte dan 35mm-projectoren. Het verdient dan ook aanbeveling om de temperatuur in de cabine niet boven de 35 graden te laten oplopen.
Afzuiging
De beste en eenvoudigste manier om de warmte van de projector af te voeren, is om deze af te zuigen en via een pijp of kanaal naar buiten af te voeren. Alle projectoren beschikken hiervoor over een afzuigventilator. Wanneer er alleen sprake is van 2D-weergave, zal het vermogen van de xenonlamp normaal gesproken gelijk of minder zijn dan van de 35mm-projector. De warmteontwikkeling zal dus nauwelijks meer zijn dan van de filmprojector. Het is echter te simpel om te denken dat er dan dus geen aanpassingen nodig zijn, aangezien de bovengrens veel kritischer is dan vroeger.
Voor 3D-projectie is meer licht nodig, dus zal automatisch ook meer warmte gegenereerd worden. Zorg ervoor dat de afzuiging hierop aangepast is. Grofweg kan het volgende worden aangehouden wanneer gebruik gemaakt wordt van een externe ventilator (één per projector):
- tot 3000 watt lichtvermogen 600m3 afzuiging per uur
- vanaf 3000 watt lichtvermogen 1000m3 afzuiging per uur.
Dit is slechts een richtlijn en in overleg met de installateur kan hier natuurlijk van afgeweken worden. Overleg ook altijd met de installateur wanneer er gebruik wordt gemaakt van bestaande (centrale) systemen, sturingen of aansluitingen op het klimaatsysteem van het theater. Denk erom dat wanneer de projector-afzuiging wordt gecombineerd met een centrale afzuiging, deze bij storing ook uit kan vallen!
De gebruikte kanaaldiameter van alle projectoren is 200mm.
Airconditioning
Computers en complexe elektronische apparatuur functioneert het best onder een stabiele, niet al te hoge temperatuur. Om de omstandigheden zo ideaal mogelijk te maken en om extremen uit te sluiten, kan er voor worden gekozen om de projectieruimte ook nog te voorzien van airconditioning. Een stabiele temperatuur komt de levensduur wellicht ten goede, maar brengt ook weer extra kosten in aanschaf en elektriciteit met zich mee. Soms is het echter onvermijdelijk.
Het is aan de bioscoop om goed na te gaan wat de temperatuur in de projectieruimte gedurende het jaar zal zijn. Houd ook rekening met pieken in de zomer! De sensoren in de projector hebben een duidelijke grenswaarde. Wanneer deze overschreden wordt is het einde voorstelling. Denk ook aan de minimale temperatuur in de winter! De ondergrens voor DMD-chips is 10 graden! Wanneer de temperatuur van de chips lager is, zal de projector ook niet werken. Ga af op uw ervaring en overleg ook hier weer met uw installateur over de mogelijkheden.
Elektrische aansluitingen
Zoals al aangegeven bij de opsomming van de diverse projectoren, is de stroomvoorziening van een digitale projector anders dan die van de 35mm. Wordt er voor het aansluiten van de meeste 35mm-gelijkrichters drie fase 400 volt gebruikt, bij digitale projectoren is in veel gevallen een enkelfase aansluiting 230 volt nodig.
In de meeste gevallen kan hier niet simpelweg de bestaande bekabeling voor worden aangepast, aangezien deze meestal is voorzien voor een maximale stroom van 16 amp / fase en is uitgevoerd in 2.5 mm2 draad. Voor de meeste projectoren is een enkelfase voeding (230 volt) noodzakelijk, gezekerd tussen de 16 en 32 ampère. Grofweg kan worden aangehouden:
- tot 2 kW 16 amp zekering
- tot 3 kW 25 amp zekering
- tot 4 kW 32 amp zekering
Deze stroomsterkten kunnen per merk en type nog enigszins verschillen. In de praktijk zal het vermogen wat lager liggen dan op het typeplaatje staat vermeld. Kies indien mogelijk voor zekeringen met een zogenaamde C-karakteristiek of een traag patroon en gebruik bij stroomsterkten boven de 16 amp minimaal 4 mm2 kabel.
Enkelvoudige stopcontacten kunnen worden uitgevoerd in CEE Form 16 of 32 amp stekkers (blauw). Indien al aanwezig, kan er een 3 Fase CEE Form gebruikt worden (5 pins, dus 3P+N+G) waarvan dan slecht 1 fase gebruikt wordt. Wanneer er meerdere zalen zijn, vraag dan uw installateur om de aansluitingen van de projectoren over de verschillende fasen te verdelen. Dit om overbelasting van b.v. fase 1 te voorkomen.
Bij projectoren met lichtvermogens boven de 4kW is de benodigde aansluiting 3fase 400 volt. Normaal gesproken voldoet hier een 16 amp gezekerde aansluiting (3P+N+G). Gebruik hier wel een C-karakteristiek automaat of traag patroon. Zorg ervoor dat de server wordt aangesloten op een ongeschakelde groep met permanente spanning. Vaak wordt er gebruik gemaakt van een UPS noodvoeding om de server te beschermen. Mede hierom is het dus van belang dat deze stroomvoorziening NIET meegeschakeld wordt met b.v. een centrale afschakeling van de projectieruimte! Ook randapparaten zoals b.v. Cinefox hebben een permanente aansluiting nodig.
Alle series 2-projectoren hebben de mogelijkheid om de spanning naar de projector 'op te delen' in een aparte voeding voor de gelijkrichter en een aparte voeding voor het projectiedeel van de machine. Het gelijkrichterdeel vereist hierbij uiteraard een hoog vermogen aansluiting, terwijl het projectiedeel af kan met een normale stroomvoorziening. Zo'n gescheiden voeding heeft eigenlijk alleen maar zin als de voeding van het projectie-gedeelte via een UPS loopt. Bij een dip in het net of bij complete uitval blijft de electronica van de projector gewoon onder spanning. Dit is niet alleen ter bescherming, maar bij een korte onderbreking kan men ook veel sneller de voorstelling vervolgen, omdat alleen de lamp gestart hoeft te worden. Het projectie-gedeellte hoeft immers niet meer opnieuw te starten. Indien de UPS van de server voldoende vermogen heeft, kan het projectie gedeelte hierbij aangesloten worden.
Cabinevensters
Zorg ervoor dat het cabinevenster groot genoeg is. Zeker wanneer men gekozen heeft voor het RealD XL 3D-systeem, is het belangrijk dat het beeld ook daadwerkelijk past. Er bestaan formules om de afmeting van het beeld op het venster vooraf te berekenen. Laat zo'n berekening ook zeker uitvoeren! Let goed op de maat van het onderstel in relatie tot de projectiehoek en een eventuele koof achter het venster (zeg maar de dikte van de muur). Maak altijd het vergelijk met de opstelling van de 35mm projector en houd desnoods deze maten aan. Een digitale projector is flexibeler, maar enige marge kan geen kwaad. Wanneer er gekozen wordt voor afwijkende oplossingen zoals het plaatsen van een projector op rails, houd dan rekening met extra hoogte.
In veel cabines wordt gebruik gemaakt van brandwerend of brandvertragend glas. Dit glas kan een zeer nadelige invloed hebben op gepolariseerde 3D systemen (RealD, Masterimage). Het is mogelijk om vooraf met redelijke zekerheid vast te stellen of er problemen zullen optreden. Brandwerende ruiten zijn over het algemeen herkenbaar aan een merk in de hoek van het glas. Wanneer de ruit vervangen moet worden, overleg dit dan desnoods met de brandweer of verzekering.
Netwerkstructuur
Vrijwel alle verbindingen tussen de verschillende onderdelen van de installatie verlopen via netwerkkabels (UTP). Dit netwerk valt uiteen in verschillende onderdelen:
Management netwerk
Dit zijn de verbindingen tussen de projector, server, automatisering (Jnior), audioprocessor en
TMS. Onderling worden commando's uitgewisseld m.b.t. besturing, encryptie, beveiliging etc. Het TMS-systeem bestuurt hiermee de server en toegang van buitenaf gebruikt dit netwerk ook om de projector en server te kunnen benaderen.
Vaak bevindt zich in de projector een eenvoudige switch waarop alle apparaten gekoppeld zijn. De meeste integrators vragen om de switches van de zalen ook weer centraal te koppelen in het centrale serverrack. Hoewel de snelheid van het netwerk niet echt van belang is, is het raadzaam om CAT6-bekabeling te gebruiken tussen de switch in de projector en het centrale rack.
Content netwerk
Dit is de verbinding tussen een centrale opslagserver en de servers onderling. Deze verbinding wordt hoofdzakelijk gebruikt voor het snel overzenden van content. Vanaf elke server loopt er een directe verbinding naar een switch in het centrale rack. De centrale opslag (LMS) is vaak via een meervoudige netwerkkaart met de switch verbonden.
Voor dit netwerk is CAT6- of CAT7-bekabeling noodzakelijk. De afstand van koperkabel mag maximaal 75 meter bedragen. Wanneer de afstand de snelheid gaat beïnvloeden, moet er een glasvezelverbinding opgezet worden.
Internet verbinding
Om verbinding te houden met het network operations centre (NOC) van de integrator, is het noodzakelijk dat er een internetverbinding in het centrale rack aanwezig is. Wat voor een verbinding dit moet zijn en aan welke speciale eisen deze (soms) moet voldoen, wordt meestal bepaald door de integrator. Voor monitoring van uw projectoren, ingrijpen en diagnostiek bij storingen en het (misschien wel belangrijkste) binnenhalen van de noodzakelijke data voor de afhandeling van de VPF, is deze verbinding onmisbaar. Meestal kan de verbinding ook niet met andere toepassingen gedeeld worden en is deze volledig gereserveerd (dedicated) voor de digitale projectie.
Aanleggen van de netwerkstructuur
Overleg tijdens de 'site survey' wat de meest geschikte plek is voor de plaatsing van het centrale rack. Kies hiervoor een plaats met gunstigste lengtes m.b.t. de netwerkverbindingen naar de diverse cabines. Probeer (zoals al eerder aangegeven) om deze verbindingen zo kort mogelijk te houden voor optimale snelheid en het voorkomen van de inzet van glasvezel, wat een stuk duurder is. De dagelijkse bediening van b.v. het TMS-systeem vindt niet plaats in het centrale rack, maar gewoon van achter uw bureau. De plaats van een rack mag, maar hoeft niet in een cabine te zijn.
Let er wel op dat de serverruimte voldoende geventileerd is en dat de temperatuur niet te hoog oploopt (denk hierbij ook aan extremen in de zomer). De levensduur van computers en harddrives wordt aanmerkelijk bekort door een te hoge temperatuur. Wanneer er al een speciale serverruimte aanwezig is, is dit meestal de aangewezen plek voor het centrale rack. Wanneer cabines van airco zijn voorzien en de kabellengtes zijn acceptabel, is dit natuurlijk ook een goede optie. Let wel op dat door de noodzakelijke afzuiging servers behoorlijk veel kabaal kunnen maken. Hierdoor is plaatsing vlakbij een werkplek niet aan te raden.
Het centrale rack is ook het middelpunt van de netwerkbekabeling. Zorg ervoor dat er vanuit dit punt minimaal 2 netwerkkabels naar elke digitale projector/server lopen. Het verdient zeer sterk de aanbeveling om vóór het aanleggen hiervan goed na te gaan wat er in de toekomst verder nog noodzakelijk is aan kabels. Denk hierbij b.v. aan netwerkverbindingen voor Cinefox, streaming media of b.v. een camerasysteem over netwerk. De kosten van het aanleggen van een extra kabel zijn natuurlijk veel lager, dan wanneer deze later extra moet worden toegevoegd. Wanneer er veel aanpassingen moeten plaatsvinden m.b.t. elektra-aansluitingen, is het verstandig om alle bekabeling in een keer te laten aanleggen.
Zorg ervoor dat de netwerkkabels in de cabines netjes in aansluitdozen aan de wand afgemonteerd worden en in het centrale rack in een patch panel. De Cat6- en vooral Cat7-kabels lenen zich er namelijk zeer slecht voor om 'even een stekkertje aan te knijpen'. Bovendien is er in een strak installatieschema geen tijd om dit te doen en de verbinding te testen. |
|
Last Updated on Monday, 18 April 2011 23:38 |
|
Verdere keuzemogelijkheden |
|
|
|
|
Als een bioscoop kiest voor digitale cinema, moeten er veel keuzes worden gemaakt. Niet alleen voor projector en server, maar zoals we in eerdere artikelen in deze serie zagen ook voor een 3D-systeem, een eventuele
TMS en bepaalde keuzes m.b.t. de inrichting van de projectiecabine. Sommige keuzes hangen met andere samen. Als men bijvoorbeeld voor een bepaald 3D-syteem kiest, kan dit de keus van de projector, de xenonlamp, of het projectiescherm veranderen.
In dit laatste deel van deze 'Praktijkgids tot digitaliseren' focussen we op bepaalde onderbelichte keuzes:
- de consequenties van het behouden van de 35mm-projector
- de verschillende xenonlampen
- projectieschermen: wit, gain en silver screen
- de keuze van het juiste objectief
35mm-projectie behouden naast de digitale projector
Op dit moment is zijn al zeer veel films als DCP (digital cinema package) verkrijgbaar. In de komende tijd zal de beschikbaarheid zeer waarschijnlijk richting de 100% gaan. De rol van de 35mm-projector is hiermee zo goed als uitgespeeld. Voor het zover is, bestaat er in veel theaters nog de uitdrukkelijke wens om 35mm-projectie in één of meerdere (soms zelfs alle) zalen te behouden. Dit is een keuze die door het theater zelf gemaakt moet worden, maar waar wel goed naar gekeken moet worden is of de cabine geschikt is voor het plaatsen van een digitale projector naast de 35mm-projector en of de situatie dan nog steeds 'werkbaar' is.
Zo zijn de afmetingen van het cabinevenster belangrijk. Bij een enkel venster moet dit toch minimaal 1.40 meter breed zijn willen de 2 projectoren naast elkaar passen. Digitale projectoren met het objectief rechts passen het best aan de linkerkant van de 35mm-projector, digitale projectoren met het objectief aan de linkerzijde komen vaak rechts van de 35mm beter uit. Bij het plaatsen aan de rechterzijde moet natuurlijk wel worden opgelet of er voldoende ruimte overblijft om de film te kunnen inleggen. Plaatsing aan de linkerzijde betekent vaak dat de servicepunten van de 35mm-projector slecht(er) bereikbaar zijn. Let erop dat de digitale projector voldoende ruimte vrijlaat voor de filmloop van de 35mm-projector naar de non-rewind of spoelentoren!
Wanneer een cabinevenster niet al te breed is, dient vooral nauwkeurig gekeken te worden of alles past wanneer de keuze voor het 3D systeem valt op RealD (XL) of MasterImage. Bij RealD moet vooraf berekend worden of het beeld wel door het venster past, bij MasterImage moet men rekening houden met de plaatsing van de unit vóór de digitale projector, wat de filmloop van de 35mm ernstig kan belemmeren.
In de praktijk kan er slechts 1 projector optimaal in het midden staan. Het lijkt logisch om hiervoer de projector te kiezen die het meerendeel van de vertoningen zal verzorgen. Een digitale projector heeft wat meer mogelijkheden om het 'uit het midden' staan te corrigeren, maar in de praktijk vallen de problemen met het 'een stukje opschuiven' van een 35mm-projector ook wel mee.
Let erop dat de luchtafvoer van de 35mm en de digitale projector niet 'zomaar' verbonden worden, maar op een manier zodat de lucht van de ene projector niet in de andere geblazen wordt. Op die manier komt de warme lucht namelijk ongewenst weer in de cabine terecht. Vaak bieden Y-verbindingen hiervoor een betere oplossing dan een T-stuk. Vraag hierover advies aan uw installateur!
Doordat de digitale projector/server over eigen automatiseringsmogelijkheden beschikt, is een koppeling met de 35mm-automatisering niet noodzakelijk. In sommige gevallen kan daar echter wel voor gekozen worden, b.v. als de 35mm-automaat zich hier bijzonder goed voor leent (Pennywise, Cinequest, Cinemat of Kinoton EMK). Zelfs als de 35mm-projector in de toekomst helemaal zal verdwijnen kan de automatisering bruikbaar blijven. Of er een koppeling bestaat of niet, er moet sowieso wel goed worden opgelet dat de automatisering van de 35mm de digitale vertoning niet beïnvloed of andersom. Hierbij moet gedacht worden aan ongewenste omschakeling van het audioformaat, storingmelding etc.
Wanneer de ruimte voor 2 projectoren eigenlijk te krap is of men wil gewoon overal goed bij kunnen, is het ook mogelijk om de digitale projector op een railssysteem te plaatsen. Hiermee is het mogelijk om de projector zeer stabiel over een afstand van b.v. 1.5 meter naar links, rechts, voren of achteren te verplaatsen. Wanneer de projector op de juiste plaats staat, kan hij vergrendeld worden. Niet alleen ontstaat er zo ruimte om overal bij te kunnen, de projector kan zo ook zeer dicht op de 35mm geschoven worden en zo bijna in de optimale positie gebracht worden t.o.v. het scherm, zonder dat de 35mm hier op moet inleveren. Voorwaarden voor een probleemloos gebruik van dit systeem is dat dat bekabeling zo wordt afgewerkt dat deze bestand is tegen het schuiven. Ook de afzuiging moet als een flexibele pijp worden uitgevoerd. Uiteraard brengt zo'n oplossing extra kosten met zich mee.
Wanneer de 35mm-projector niet in de weg staat, is er niet direct een reden om er afscheid van te nemen. Het kan altijd interessant zijn om in de toekomst nog eens 35mm-films te vertonen. Ook is men vaak aan de projector gehecht en is afscheid nemen niet gemakkelijk. Belangrijk is echter wel dat het behoud van de 35mm de kwaliteit van de digitale projectie niet beïnvloedt en dat er geen onnodige kosten gemaakt moeten worden. Er zijn natuurlijk ook alternatieven mogelijk, zoals het verwijderen van een non-rewind maar de mogelijkheid behouden om van spoel te draaien. Dit is natuurlijk meer werk (verplichte onderbreking, spoel wisselen), maar kan de doorslag geven om de 35mm toch te behouden.
Wanneer een aanpassing van audio noodzakelijk is, bedenk dan goed welke audioprocessoren nog geschikt zijn voor 35mm-weergave en welke niet! Tenslotte heeft het behoud van 35mm -projectie alleen maar zin als er ook iemand aanwezig is die de apparatuur kan bedienen.
Xenonlampen
Een digitale projector gebruikt, net als een 35mm-projector, een xenonlamp als lichtbron. Ook op dit gebied hebben de ontwikkelingen niet stilgestaan: er zijn de laatste jaren belangrijke verbeteringen doorgevoerd teneinde de maximale lichtopbrengst te vergroten. Er wordt vaak gezegd dat de kosten van xenonlampen voor digitale projectoren veel hoger liggen dan die van 35mm-projectoren. Dit is deels waar, maar meestal heeft dit te maken met 3D.
De meeste digitale projectoren gebruiken een xenonlamp die alleen geschikt is voor dat specifieke projectormerk, en soms zelfs alleen voor dat enkele type projector. De fabrikant van de projector heeft de xenon dan zo laten ontwerpen dat deze volledig geoptimaliseerd is voor de optische componenten (spiegel etc.) in deze projector. Soms gaan deze aanpassingen nog verder en dan zijn bijvoorbeeld thermisch gevoelige plekken op de xenon ook nog speciaal aangepakt. Tenslotte is de manier van montage van de xenonlamp en de gebruikte aansluitkabel bij vrijwel elke projector anders.
Wanneer we kijken naar 2D-projectie, dan zien we dat de huidige generatie projectoren bijzonder lichtsterk is en dat de benodigde wattages redelijk beperkt kunnen blijven. Wanneer de xenon de lichtopbrengst van de projector optimaliseert, betekent dit voor zowel 2D- als 3D-projectie dat het type projector dat nodig is qua wattage enigszins beperkt kan blijven. Zeker bij de 'kleinere' xenonlampen zien we dat door toepassing van zeer nauwkeurige gelijkrichters (met weinig rimpel) en ontsteekautomaten, de lampen zeer lang mee kunnen gaan. Zo zijn er b.v. bepaalde typen 2 kW lampen die 2400 tot 3000 uur mee kunnen gaan en 1200 watt xenons die meer dan 3000 uur meegaan. In deze gevallen is de meerprijs voor deze 'digitale xenonlampen' te verklaren en ook terug te verdienen door een gunstig aantal bedrijfsuren.
3D-projectie vraagt enorm veel licht. Hierin is het niet alleen het gebruikte 3D-systeem, maar ook het soort scherm dat uiteindelijk de keuze voor de benodigde lichtsterkte bepaalt. Zoals eerder aangegeven is Dolby het minst lichtsterke systeem (ongeveer 12% efficiënt) en RealD XL het gunstigste (28%). Een mat wit scherm - oftewel een traditioneel bioscoopscherm - heeft de minst gunstige reflectie, een silver screen de gunstigste. Wanneer er in een zaal dan ook 3D vertoond gaat worden, is het zaak om te kijken met welk systeem dat zal zijn en op wat voor een scherm. Hiermee rekening houdend, zal dan het type projector bepaald moeten worden en de te gebruiken lamp. Het is verstandig om hiermee dan niet op de ondergrens te gaan zitten, of alleen te rekenen met de lichtopbrengst van een nieuwe xenonlamp. Wanneer dat wordt gedaan komt men vaak bedrogen uit.
Xenonlampen slijten tijdens hun levensduur en zeker de nieuwste generatie xenonlampen die extra veel licht produceren, kennen een relatief snelle terugloop van de lichtopbrengst. Het is dan ook niet voor niks dat sommige fabrikanten aangeven dat de terugloop in lichtopbrengst tussen een nieuwe xenon en een xenon op 100% van zijn garantie-uren wel 50% kan zijn (!!). Niet alleen deze terugloop, maar ook de optische verliezen (lens, cabinevenster) en b.v. de kleurcorrectie dragen bij aan een verminderde lichtopbrengst. Bij de keuze van een projector en een xenonlamp dient men rekening te houden met al deze factoren.
Doordat veel 3D-systemen zeer veel lichtvermogen nodig hebben en daarnaast ook gebruikmaken van b.v. een silver screen, komt er nog een ander probleem om de hoek kijken, namelijk dat van 'teveel licht'. Een xenonlamp heeft een bepaald regelbereik waarbinnen de lamp goed kan werken. Vaak wordt er een stroomsterkte aangegeven waarop de lamp optimaal functioneert, de zogenaamde 'Rated current'. Sommige projectoren kunnen hier overheen (tot wel 110% vermogen), wat natuurlijk weer nadelig is voor de levensduur van de lamp. Als ondergrens kunnen de meeste projectoren worden teruggedraaid tot 70% of zelfs 50% van het maximale vermogen. Het is echter aan te raden om niet verder terug te gaan dan 70% van het vermogen, om startproblemen of stabiliteitsproblemen van de lamp te voorkomen.
Alle projectoren kunnen ook per beeldformaat de gewenste stroomsterkte van de lamp instellen. Het is dus eenvoudig mogelijk om de xenon bij een 3D-formaat naar b.v. 100% te sturen en bij een 2D-formaat naar 72%. Houd er echter wel rekening mee dat TI-projectoren met een zoomobjectief ook een behoorlijk lichtverschil hebben tussen Flat (Wide screen) en Scope. Doordat bij Flat het beeld kleiner is dan bij scope en de hele chip voor projectie wordt gebruikt, is er bij Flast 25% meer licht beschikbaar dan bij Scope. In de praktijk zal dus Scope 3D het donkerste beeld geven en Flat 2D het helderste zijn.
Doordat het regelbereik van de lamp maar beperkt is, kan het heel goed voorkomen dat bij 2D-projectie (dus zonder filters en 3D-bril, maar b.v. wel op een silver screen of een high gain-scherm) het beeld veel helderder is dan DCI voorschrijft. Lichtwaarden hoger dan 30ft/L komen voor (14 ft/L is de norm). In de praktijk is dit extra licht meestal geen probleem, maar wanneer het te extreem wordt is het verstandig om toch voor een kleinere xenon te kiezen.
Een andere manier om het 'teveel' aan licht bij 2D tegen te gaan (of het tekort bij 3D) is het werken met verschillende xenonlampen voor 2D en 3D. Het is echter in de praktijk ondoenlijk om tussen elke 2D- en 3D-show de xenon om te wisselen. Fabrikant Barco heeft hier een oplossing voor, in de vorm van een verwisselbaar lampenhuis. Hierin bevinden zich de xenonlamp, de spiegel en wat electronica met daarin de gegevens van de lamp, branduren, stroomsterkte etc. Met een tweede lampenhuis, met daarin b.v. een sterkere lamp gemonteerd, is het mogelijk om binnen een minuut het lampenhuis om te ruilen. Let wel op dat de lamp die gewisseld wordt wel enige tijd nodig heeft om af te koelen.
Ondanks dat dit een robuust systeem is met goede connectoren, is het nooit ontworpen voor meerdere wisselingen per dag. In de praktijk zou het moeten volstaan dat wanneer de zaal b.v. 2 weken een 2D-film gaat vertonen, er makkelijk een kleinere xenon ingezet kan worden. Wanneer er afwisselend op een dag 2D en 3D wordt gedraaid, blijft de 3D-lamp erin zitten. Nadeel van het systeem met twee lampenhuizen is de hoge aanschafprijs van een extra lampenhuis (meer dan 4000 euro), waardoor het enige tijd zal duren voordat er daadwerkelijk geld bespaard gaat worden.
Projectieschermen
Eerder is al aangegeven dat er verschillende soorten projectieschermen bestaan. Er zijn natuurlijk geperforeerde en ongeperforeerde schermen, maar er zijn ook verschillen mogelijk in de manier waarop een scherm het licht reflecteert. Deze reflectie wordt aangeduid als de 'gain' van het scherm.
Hoewel het licht van een digitale projector zeer gelijkmatig is en deze gelijkmatigheid zelfs in de DCI-aanbeveling is vastgelegd, blijft er door de gebruikte optische systemen in de projector altijd een lichtverschil bestaan tussen het midden en de rand van het beeld.
Wanneer een scherm mat wit is en verder geen speciale coating heeft, wordt dit aangeduid als gain 1.0: het licht dat op het scherm valt wordt in alle richtingen gelijkmatig gereflecteerd. Het voordeel van deze schermen is dat de lichtreflectie voor de bezoeker ook als gelijkmatig wordt ervaren. Het verschil tussen het midden en de rand van het beeld valt nauwelijks op. Naast een mooi egaal verlicht beeld, is door het ontbreken van speciale coating ook de prijs van deze schermen gunstig. Een nadeel van deze schermen is echter dat door de gelijkmatige (difuse) reflectie, er ook een hoop licht wordt gereflecteerd naar plekken waar geen bezoekers zitten.
Gain
Wanneer een scherm wordt voorzien van een bepaalde coating, kan hiermee het licht meer gericht worden gereflecteerd. Het scherm versterkt het licht niet, maar doordat het licht meer gericht naar de bezoeker wordt gereflecteerd, wordt het beeld als helderder ervaren. Hoe meer gericht deze reflectie is, hoe hoger de gain-waarde. Er bestaan witte schermen met een gain van 1.2, 1.4, 1.8 en 2.0. Hoe hoger de gain, hoe 'beter' de reflectie naar het publiek toe.
Groot voordeel hiervan is dat een gain-scherm dus flink kan bijdragen in de lichtbeleving van de bezoeker. Een ander voordeel is dat de gewenste lichtwaarde met minder lampvermogen kan worden bereikt, waardoor er gebruik gemaakt kan worden van een kleinere xenonlamp, of zelfs een kleinere projector. Dat dit gunstig is m.b.t. aanschafprijs, energiekosten, afzuiging en temperatuurbeheersing mag duidelijk zijn.
Het lijkt erop dat gain-schermen louter voordelen hebben, maar er zijn natuurlijk ook nadelen. De prijs van een gain-scherm is per m2 aanzienlijk hoger dan dat van een traditioneel projectiescherm. Het scherm is kwetsbaar en alleen op rol te vervoeren, waardoor transportkosten vaak hoger zijn. Hoe gerichter de reflectie naar de bezoeker, des te duidelijker is het scherm recht voor de bezoeker meer verlicht (reflectie is optimaal). Wat meer naar links en rechts wordt het beeld wat donkerder. De vorming van zo'n 'hotspot' kan gezien worden als het grootste nadeel van een gain-scherm. Het effect kan ook min of meer vergeleken worden met de kijkhoek van een LCD-scherm. Wanneer de bezoeker uiterst links of rechts in een rij zit, zal het beeld aan de tegenoverliggende schermkant van de zaal als veel donkerder worden ervaren.
Silver screen
Met de komst van digitale 3D-films is het silver screen een begrip geworden. Het is echter niet nieuw. Veel operateurs kennen het nog van de revival van 3D begin jaren 80 (Jaws 3D etc.) en bewaren minder goede herinneringen aan de kwaliteit van de projectie op dit soort schermen (en vaak bleef zo'n scherm nog jaren hangen).
Met een gain van 2.4 heeft een silver screen een zeer gerichte reflectie. Bovenstaande paragraaf is dan ook tevens volledig op silver screens van toepassing. Hier komt echter nog bij dat de kwetsbaarheid van een silver screen nog veel groter is. Elke vingerafdruk laat z'n sporen na en blijft zichtbaar. Het is dus zaak om ervoor te zorgen dat het publiek niet al te makkelijk dichtbij het scherm kan komen. Daarnaast is de prijs van een silver screen nog hoger dan dat van een wit gain-scherm.
Wanneer er zoveel nadelen zijn, waarom zijn er dan toch zoveel silver screens? Dat is eenvoudigweg omdat alle 3D-systemen die werken volgens het principe van polarisatie een silver screen nodig hebben. Dit is niet alleen voor de lichtopbrengst, maar ook om ervoor te zorgen dat de polarisatie van het beeld de bezoeker op de juiste manier bereikt. Wanneer er geen silver screen hangt, werken systemen als RealD, Masterimage, Imax of dual projectie eenvoudig niet!
Ondertussen hebben toonaangevende firma's als RealD en Harkness veel tijd en geld gestoken in de doorontwikkeling van dit soort schermen. De ontwikkeling heeft er toe bijgedragen dat 'normale' projectie op een silver screen acceptabel is. Hetzelfde geldt voor schermen met een hogere gain.
Schermkeuze
Zoals eerder aangegeven speelt het scherm een zeer belangrijke rol bij de keuze van een projector. Het soort scherm moet in deze keuze dus ook worden meegenomen! Het is dan ook sterk aan te raden om vooraf goed te kijken wat voor een scherm er nu hangt, hoe oud dit scherm is en of men wel of geen 3D-voorstellingen wil. Als vuistregel kan worden aangehouden dat de levensduur van een scherm 7 tot 10 jaar is. Zelfs in gunstige omstandigheden zal een scherm stoffig worden en is het na bovengenoemde levensduur aan vervanging toe. Wanneer het schermoppervlak zo klein is dat voor 2D de kleinste projector met de kleinste lamp al volstaat, is de keuze voor een mat wit scherm snel gemaakt. Wanneer er echter sprake is van een groter scherm, moet worden gekeken wanneer de besparing in energie, lampkosten, en evt. een kleinere projector de hogere aanschafprijs van het scherm weer compenseren. In de meeste gevallen zal dit heel snel zijn!
Wanneer in een zaal 3D vertoond zal gaan worden met een XpanD- of Dolby-systeem, is het eigenlijk altijd verstandig om de aanschaf van een gain-scherm te overwegen. De bovengenoemde besparingen betalen zich namelijk zeer snel terug. Vaak is het niet eens een keuze en zal een gain-scherm de enige mogelijkheid zijn om een dergelijk 3D-systeem te kunnen gebruiken (zonder b.v. te moeten terugvallen op 6 kW lichtvermogen op een scherm van 10 meter – een overdreven zware lamp voor een relatief klein doek).
Het is moeilijk aan te geven voor wat voor scherm er gekozen moet worden. Belangrijk om te weten is dat de integrator de eis kan stellen dat de door de DCI voorgeschreven minimale lichtsterktes gehaald moeten worden. Als dit het geval is, kan het dus zo zijn dat dit bereikt kan worden door een nieuw scherm, of misschien door een zwaardere projector (met een behoorlijke meerprijs). Een gain-scherm van 1.2 of 1.4 is eigenlijk altijd een goede keuze. 1.8 en 2.0 kunnen gunstig zijn wanneer de keuze gemaakt wordt voor b.v. Dolby 3D.
Er zijn ook combinaties die beter vermeden kunnen worden. Te denken valt aan een silver screen voor alleen 2D-projectie of een silver screen met 3D-systemen als XpanD en Dolby 3D (het werkt wel, maar is niet mooi). Met het idee van gerichte reflectie in gedachte, is te begrijpen dat extreem brede zalen (korte brede zaal met groot scherm) niet de meest optimale zalen zijn voor 3D-systemen met een silver screen. Voor kleine zalen waar de bezoeker dicht op het scherm zit, kan juist gedacht worden aan een scherm met een kleinere perforatie (mini perf).
In de opgegeven specificaties van de meeste projectoren, en wanneer projectorfabrikanten de benodigde projector voor een zaal berekenen, gaat men vrijwel altijd uit van een scherm met een gain van 1.8. Hierdoor ontstaat natuurlijk een zeer gunstig beeld over de lichtsterkte van de projectoren. Veel fabrikanten hebben een lenscalculator online staan, waarbij ook de gegevens van het scherm en het gebruikte 3D-systeem kunnen worden ingevoerd. Zorg er hierbij voor dat calculaties altijd met reële instellingen worden uitgevoerd! Uitgaan van geen optische verliezen, een gain van 1.8 en een nieuwe xenonlamp, ligt het voor de hand dat een te kleine projector wordt gekozen. Zorg er altijd voor dat in een berekening 25% slijtage van de xenonlamp, 10% optisch verlies en de juiste gain wordt meegenomen. Alleen op deze manier is een realistische keuze van een projector te maken.
Keuze van het juiste objectief
De keuze van het objectief wordt meestal overgelaten aan specialisten: de installateur, integrator of projectorfabrikant. Toch willen we hier kort laten zien hoe zo'n keuze tot stand komt. Het lijkt vrij simpel: het juiste objectief is dat objectief waarbij het scherm gevuld is en het beeld in de juiste verhoudingen wordt weergegeven. Soms zijn er echter beperkingen in wat kan en wat niet kan.
Hoe wordt een objectief bepaald?
Anders dan bij 35mm-projectoren, wordt de 'maat' van het objectief niet meer in mm (brandpunt) uitgedrukt, maar als een zogenaamde zoomfactor. Deze factor is de verhouding tussen de projectieafstand en de gewenste beeldbreedte. Om de juiste zoomfactor van het objectief te bepalen, wordt de projectieafstand gedeeld door de gewenste beeldbreedte. Een projectieafstand van 20 meter op een doek van 10 meter breed, vraagt dus een zoomfactor van 2.0.
Let op dat de beeldverhoudingen bij D-cinema 1 : 1.85 voor Widescreen (flat) en 1 : 2.39 voor Cinemascope zijn. Veel doeken hebben voor b.v. Scope nog de verhouding van 1 : 2.35 of zelfs nog vierkanter; 2.28 is geen uitzondering! Hetzelfde geldt voor Widescreen, waar nog vaak verhoudingen van 1.75 of zelfs 1.66 gebruikt zijn. Wanneer deze projectieschermen niet worden aangepast, dan wordt bij het berekenen van het juiste objectief de hoogtemaat van het scherm gebruikt, om daarmee de breedte te bepalen. Wanneer bij een teveel afwijkende verhouding alleen van de breedte wordt uitgegaan, kan het gebeuren dat het beeld boven en onder niet volledig uitgevuld wordt.
Alle in digitale cinema gebruikte objectieven zijn zogenaamde zoom-objectieven. De zoomfactor van het objectief is dus variabel in te stellen. Het bereik van de meeste objectieven is zeer groot, waardoor het juiste objectief eenvoudig te kiezen is. Om te wisselen tussen Scope en Flat wordt het objectief d.m.v. servomotoren ingesteld. Niet alleen de Zoom en Focus worden bediend, maar ook de horizontale en verticale shift.
Het te gebruiken objectief hangt ook af van de afmeting van de chip in de projector. Er zijn objectieven voor de 0.98" DMD, voor de 1.2" DMD en voor de 1.38" 4K DMD. In principe zijn de objectieven voor 1.2" en 1.38" gelijk, maar door het afwijkende formaat van de DMD is de zoomfactor anders. Sony heeft zijn eigen range van objectieven, maar het berekenen gebeurt op dezelfde manier. Het speciale 3D-objectief van Sony is er slechts in 2 uitvoeringen. Dit objectief wordt eenmalig vast ingesteld.
Berekening uit de praktijk
Een bioscoop heeft een scherm van 10.45m breed en 4.46m hoog (verhouding 2.34). De projectieafstand is 18.92m. Eerst bepalen we de waarde voor Cinemascope. Wanneer we 4.46m in de hoogte willen uitvullen, hoort hier in 2.39 verhouding een beeldbreedte van 10.66m bij (4.46m x 2.39 = 10.66m).
In de praktijk is het verstandig om een correctie van -2% op de berekende waarde aan te houden. De zoomfactor komt hierdoor lager uit, oftewel het beeld wordt iets groter. Hiermee wordt enige veiligheid ingebouwd. Dit is vooral nodig wanneer de berekende waarde op de grens van een objectief uitkomt, of wanneer er speciale omstandigheden zijn, zoals een forse neiging van de projector (projectiehoek naar beneden).
18.92 (projectieafstand) / 10.66 (breedte bij 2.39 verhouding) = 1.77 (zoomfactor ) - 2% (veiligheidscorrectie) = 1.73 is de zoomfactor voor Cinemascope.
Nu de gelijke berekening voor Widescreen. 4.46m x 1.85 = 8.25m
18.92 (projectieafstand) / 8.25m (breedte bij 1.85 verhouding) = 2.29 (zoomfactor ) - 2% (veiligheidscorrectie) = 2.24 is de zoomfactor voor Widescreen.
Het te kiezen objectief moet dus zowel 1.73 als 2.24 omvatten. Voor een 1.2" DMD projector (b.v. Barco DP2K-19B) zou hier een 1.6-2.35 objectief gekozen kunnen worden.
Bij de keuze van een objectief is het belangrijk dat beide berekende waarden te halen zijn. Hierbij is echter de kleinste waarde het belangrijkste! Het is immers altijd mogelijk om het beeld (elektronisch) iets kleiner te maken (hoewel officieel niet toegestaan), maar onmogelijk om het groter te maken. Grofweg zijn er objectieven verkrijgbaar tussen zoomfactor 1.2 en 5.5
Wanneer er sprake is van een scherm in Widescreen verhouding (1.85), valt op dat de beide waarden zeer dicht bij elkaar liggen. Eigenlijk mag gesteld worden dat het objectief voor Scope en Flat dezelfde waarde kan hebben. Wanneer er sprake is van een zeer korte projectieafstand met een zeer groot scherm en de zoomfactor zeer laag uitkomt, kunnen er problemen optreden die een bepaalde beperking met zich meebrengen.
Voor 0.98" DMD-projectoren is er een 1.2-1.8 objectief beschikbaar. Dit maakt b.v. een 8.3 meter breed beeld mogelijk met slechts 10m projectieafstand. Dit is al redelijk extreem te noemen. Voor 1.2" DMD-projectoren is 1.25-1.45 de kleinste zoomfactor. Nadeel van dit objectief is het korte zoombereik, waardoor bijna altijd elektronische correctie noodzakelijk is. Het 'volgende' objectief met een lang bereik is de 1.4-2.05. Hier zal dus in overleg met de installateur een keuze gemaakt moeten worden. Voor 4K-projectoren geeft ditzelfde objectief 1.13 (!!) als kleinste waarde (1.13-1.31). Het volgende objectief is hier de 1.27-1.86.
Bij Sony overlappen de objectieven voor zowel 2D als 3D zeer ruim, waardoor het altijd mogelijk is om het juiste objectief te kiezen. Sony gebruikt zoals eerder vermeld een apart objectief voor 3D projectie!
Let erop dat RealD XL beperkingen kent m.b.t. de minimale zoomfactor. Voor Scope is dit 1.28. Bij een nog kleinere zoomfactor loopt het licht 'vast' in de XL-unit (randafval!).
Vroeger werd i.p.v. een gemotoriseerd zoomobjectief ook wel een Anamorphote of Wide Angle converter toegepast. Hierbij werd het beeld 1.25x vergroot voor projectie van Cinemascope. Met de huidige projectoren en objectieven raakt dit steeds meer in onbruik. In bepaalde extreme gevallen kan dit echter wel de oplossing zijn. Nadeel is het hoge prijskaartje dat aan de objectieven en installatie hangt. |
|
Last Updated on Monday, 18 April 2011 23:39 |
|